Indien deze mail onleesbaar is gelieve hier te klikken
Ce mail en français

EBP-Tenderletter nr 15 - september 2008
Beste Tenderletter lezer,

Wij stuurden u reeds verschillende Tenderletters en hopen dat de inhoud ervan u van nut is.

Graag hadden wij van u bevestiging dat u onze nieuwsbrief gratis wenst blijven te ontvangen !
Wenst u zich uit te schrijven klik dan op de link hieronder.
Klik hier indien u de EBP- Tenderletter NIET meer wenst te ontvangen.

Blijft u als lezer, dan wensen wij u veel leesgenot !

Het EBP-Tenderletter Team.

Had u een andere opmerking en/of vraag mbt de EBP-Tenderletter stuur dan een mail aan pi@ebp.be

Inhoudstafel


nihil



2. Nationale wet- en regelgeving

Wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen

Vindplaats: B.S. 16 juni 2008, tweede editie
Door de Wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (II)() worden wijzigingen aangebracht in de standstill-regeling opgenomen in artikel 21bis van de Overheidsopdrachtenwet 1993. Tevens wordt door deze wet middels de nieuw artikelen 41sexies en 62bis een gelijkaardige standstill-regeling ingevoerd, resp. van toepassing op de overheidsopdrachten in de nutssectoren (de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten), alsmede voor de opdrachten gegund door de aanbestedende diensten die bijzondere of uitsluitende rechten genieten, alsook voor sommige opdrachten gegund door overheidsbedrijven en aanbestedende overheden. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste wijzigingen doorgevoerd in artikel 21bis van de Overheidsopdrachtenwet 1993.

In artikel 21bis wordt bepaald dat de regels inzake informatie en motivering eveneens van toepassing zijn op de niet-geselecteerde inschrijvers.

Paragraaf 2 van artikel 21bis wordt op meerdere punten gewijzigd:
  1. In de eerste plaats wordt verduidelijkt dat de beslissingen genomen in het kader van de toekenning van concessies voor openbare werken eveneens vallen onder de regeling van artikel 21bis en derhalve onderworpen zijn aan een wachttermijn.
  2. In de tweede plaats bepaalt paragraaf 2 dat de aanbestedende overheden snelle communicatiemiddelen, inzonderheid de telefax of elektronische middelen, moeten gebruiken zodat de kandidaten of inschrijvers die benadeeld zijn of benadeeld dreigen te worden, tijdig kunnen reageren.
  3. In de derde plaats wordt de minimale wachttermijn van 10 dagen verlengd tot een vaste termijn van 15 dagen teneinde de doelmatigheid van de beroepen te ver hogen. Het gaat dus niet langer om een minimumtermijn en de aanbestedende overheid die een langere termijn zou toekennen, zal de onderhavige bepaling dan ook schenden. In een dergelijk geval zal enkel het beroep dat door de inschrijver binnen de wettelijke termijn van 15 dagen is ingesteld, ontvankelijk zijn.
  4. Verder wordt een uitzondering op de naleving van een wachttermijn geschrapt. Het betreft meer bepaald het geval van de versnelde procedure waarbij de termijnen sterk ingekort zouden zijn. Deze uitzondering bestaat immers niet in het Gemeenschapsrecht. Er dient te worden onderstreept dat de overige uitzonderingen die heden zijn vermeld in paragraaf 2, derde lid, worden behouden of aangepast.
  5. Een andere belangrijke wijziging ten opzichte van het huidige artikel 21bis van de wet bestaat erin dat de nieuwe paragraaf 2 niet langer voorziet in een wachttermijn voor de niet-geselecteerde kandidaten in het kader van een procedure in twee fases. De niet-geselecteerde kandidaten die zich benadeeld voelen, beschikken nadien immers nog over de nodige tijd om een beroep in te stellen, daar zij onverwijld moeten worden geïnformeerd door de aanbestedende overheid en er op het ogenblik van de selectie nog geen beslissing is genomen omtrent de toewijzing van de opdracht.
  6. Ten slotte wordt een oplossing aangereikt voor de problematiek van de wachttermijn waarvan de vervaldatum in het weekend of op een feestdag valt.

...................
Koninklijk Besluit van 31 juli 2008 tot wijziging van sommige koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten

Vindplaats: B.S. 18 juli 2008
De artikelen 2 tot 6 van de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (II)(zie hierboven) hebben wijzigingen aangebracht in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

Met name zijn daardoor de in artikel 21bis van de wet vermelde voorschriften betreffende de wachttermijn aangepast en vergelijkbare bepalingen ingevoegd voor de speciale sectoren via de artikelen 41sexies en 62bis.

Het Koninklijk Besluit van 31 juli 2008 tot wijziging van sommige koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten heeft hoofdzakelijk tot doel de bepalingen betreffende de informatie en de motivering, die vervat zijn in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 24 december 1993, af te stemmen op de gewijzigde wetsbepalingen.

Met betrekking tot de procedures
  • die formeel in twee fases verlopen (in casu de beperkte aanbesteding, de beperkte offerteaanvraag en de onderhandelingsprocedure met bekendmaking)
  • en die betrekking hebben op opdrachten die verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking
moet voortaan in de selectiefase geen wachttermijn meer worden gerespecteerd ten aanzien van de niet-geselecteerde kandidaten

Bijgevolg wordt een onderscheid gemaakt op het vlak van de informatie naargelang de opdracht al dan niet verplicht onderworpen is aan de Europese bekendmaking.

Opdracht verplicht onderworpen aan de Europese bekendmaking

Wanneer de opdracht onderworpen is aan de Europese bekendmaking, moet de aanbestedende overheid, onmiddellijk na de selectiebeslissing, de niet-geselecteerde kandidaten niet enkel informeren, maar ook de motieven voor hun niet-selectie bij deze informatie voegen.

Deze maatregel biedt de niet-geselecteerde kandidaten de mogelijkheid om de ingeroepen motieven te beoordelen en eventueel beroep aan te tekenen indien zij zich benadeeld achten.

Verder is het de bedoeling te vermijden dat de niet-geselecteerde kandidaten die niet zouden zijn ingelicht over de motieven voor hun niet-selectie, betrokken blijven bij de procedure bij toepassing van de wachttermijn in het stadium van de gunning van de opdracht.

Opdracht niet verplicht onderworpen aan de Europese bekendmaking

Wanneer de opdracht niet verplicht onderworpen is aan de Europese bekendmaking bij de aanvang van de procedure, blijft de regel behouden die momenteel van toepassing is op deze opdrachten. Deze regel maakt een onderscheid tussen, enerzijds, de mededeling van de beslissing tot niet-selectie en, anderzijds, de mededeling op verzoek van de motieven van deze niet-selectie.

Indien de aanbestedende overheid dit wenselijk acht, kan zij de motieven evenwel op eigen initiatief bij de informatie voegen die zij overmaakt aan de betrokkenen.

Met uitzondering van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, geldt voor alle gunningsprocedures in de gevallen dat de opdracht niet verplicht onderworpen is aan de Europese bekendmaking(), dat de aanbestedende overheid onmiddellijk na de toewijzingsbeslissing:
  1. de niet-geselecteerde inschrijvers inlicht over hun niet-selectie;
  2. de inschrijvers wiens offerte onregelmatig is verklaard inlicht over de wering van hun offerte;
  3. de inschrijvers wiens offerte niet gekozen is inlicht over dit feit.
De 'niet-geselecteerde inschrijvers' waarvan sprake onder punt 1 zijn niet enkel deze die een offerte hebben ingediend in het kader van een open procedure, maar eveneens geselecteerde kandidaten in de eerste fase van een procedure die in twee fases verloopt en die, na een offerte te hebben ingediend, hun toestand zouden zien verslechteren op het vlak van de kwalitatieve selectie-eisen.

De niet-geselecteerde inschrijvers, de inschrijvers wiens offerte onregelmatig is verklaard en de inschrijvers wiens offerte niet is gekozen, kunnen de aanbestedende overheid schriftelijk verzoeken om de motieven van de beslissing die op hen betrekking heeft. De aanbestedende overheid deelt deze motieven mee binnen vijftien dagen na ontvangst van het verzoek.

Registratie van aannemers

Verder brengt het Koninklijk Besluit van 31 juli 2008 enkele verbeteringen en verduidelijkingen aan die noodzakelijk zijn gebleken ingevolge de wijzigingen die met ingang van 1 januari 2008 zijn aangebracht aan de wetgeving betreffende de registratie van aannemers.

In dat verband kan overigens nuttig worden verwezen naar het advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten van 30 juni 2008 (B.S. van 1 augustus 2008) dat een toelichting bevat omtrent de strekking van de wijzigingen aan de bedoelde wetgeving, alsook de gevolgtrekkingen op het vlak van de overheidsopdrachten.
...................

Vlaamse Overheid - Economie, Wetenschap en Innovatie - Ministerieel besluit van 1 juli 2008 tot wijziging van het ministerieel besluit van 10 juli 2007 tot uitvoering van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007 tot uitvoering van het decreet van 7 juli 2006 houdende toekenning van een rentetoelage voor ondernemingen die lijden onder de verstoorde bereikbaarheid ten gevolge van hinder door openbare werken

Vindplaats: B.S. 23 juli 2008


...................

Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister - Financiering met projectbeheer in het licht van de wetgeving overheidsopdrachten - Advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten

Vindplaats: B.S. 20 juni 2008

In haar advies van 9 juni 2008 stelde de Commissie voor de overheidsopdrachten vast dat zich op het vlak van de studie, de financiering en de uitvoering van bouwwerken een aantal praktijken blijken te ontwikkelen waarvan sommige niet stroken met de wetgeving overheidsopdrachten.

De Commissie heeft in haar voormeld advies een overzicht gegeven van de verschillende situaties die zich kunnen voordoen en waarop de wetgeving overheidsopdrachten van toepassing is:
  1. de operatie bestaande in de studie en/of de financiering en/of de opvolging van werken: in dat geval gaat het om een overheidsopdracht voor diensten van de categorieën A12 en A6 van bijlage 2 van de wet van 24 december 1993, die in mededinging moet worden gesteld conform de bepalingen van die wet.
  2. de operatie bestaande in de financiering, de uitvoering van de werken en eventueel de studie en opvolging van een project, met inbegrip van de verbintenis om het project uit te voeren conform de plannen en het bestek opgesteld door de aanbestedende overheid, zelfs indien deze laatste zich heeft beperkt tot het definiëren van de behoeften: in dat geval gaat het om een overheidsopdracht voor werken en dan meer bepaald om een promotieopdracht van werken. Deze opdracht heeft immers zowel betrekking op de financiering en de uitvoering van de werken of van het bouwwerk, alsook, eventueel, op de studie ervan of op elke dienstverlening in dit verband.
  3. de operatie bestaande in de oprichting van een gemengde vennootschap met als doel specifieke werken uit te voeren of een bouwwerk op te richten: het gaat om een overheidsopdracht voor werken. Indien deze operatie ook de financiering en eventueel de studie van werken omvat, vormt de opdracht bovendien een promotieopdracht van werken.


...................

Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister - Omzendbrief van 25 juni 2008 - Wet - Overheidsopdrachten. - Europese bekendmaking. - Verplichte bekendmaking van een aankondiging van geplaatste opdracht

Vindplaats: B.S. 30 juni 2008

De aanbestedende overheden en aanbestedende diensten hebben op grond van de Europese Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG de verplichting om, naast de voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van opdracht, over te gaan tot de bekendmaking van een aankondiging na de gunning van elke opdracht die de Europese drempel bereikt.

De Omzendbrief van 25 juni 2008 stelt vast dat deze verplichting wordt al te vaak miskend. Zelfs wanneer deze verplichting wordt nageleefd, wordt dikwijls het totale bedrag van de opdracht in de aankondiging niet vermeld. Het gaat hier nochtans om een belangrijke informatie die, in regel, niet kan worden beschouwd als zijnde vertrouwelijk vanuit het algemeen belang, de rechtmatige commerciële belangen van de ondernemingen of de eerlijke mededinging tussen de ondernemingen.

De Omzendbrief van 25 juni 2008 acht het dan ook aangewezen aan deze bekendmakingsverplichtingen te herinneren.

Aldus is een aankondiging van geplaatste opdracht vereist indien de raming van de opdracht de Europese drempel bereikt, ook als is het bedrag van de goed te keuren offerte lager dan deze drempel.

Omgekeerd is geen aankondiging van geplaatste opdracht vereist indien de raming van de opdracht beneden de Europese drempel blijft, zelfs indien het bedrag van de goed te keuren offerte hoger is dan deze drempel.

De verplichte bekendmaking van een aankondiging van geplaatste opdracht heeft betrekking op:
  1. alle opdrachten voor werken, leveringen en diensten, met inbegrip van de diensten bedoeld in bijlage 2, B, van de wet die het geraamde bedrag bereiken waarvan sprake in punt 2. De diensten bedoeld in bijlage 2, B, van de wet moeten weliswaar niet op Europees niveau worden bekendgemaakt bij de aanvang van de procedure, maar ze zijn daarentegen wel onderworpen aan een transparantieverplichting nà de gunning ervan via een bekendmaking van een aankondiging van geplaatste opdracht;
  2. alle gunningswijzen en bijgevolg ook op:
    • de onderhandelingsprocedure met bekendmaking als bedoeld in de artikelen 17, paragraaf 3, 39, paragraaf 1, en 69, paragraaf 1, van de wet;
    • de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking als bedoeld in de artikelen 17, paragraaf 2, 39, paragraaf 2, en 69, paragraaf 2, van de wet (behalve in het geval vermeld in de artikelen 17, paragraaf 2, 1°, b, en 39, paragraaf 2, 1°, b, van de wet dat opdrachten beoogt die geheim verklaard zijn, waarvan de uitvoering gepaard moet gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen of indien de bescherming van de fundamentele belangen van het land dit vereist) .
De aankondiging van geplaatste opdracht moet worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie én in het Bulletin der Aanbestedingen. De verzending ervan moet plaatsvinden binnen een termijn van achtenveertig dagen (klassiek stelsel) of twee maanden (speciale sectoren) na de gunning.

In de Omzendbrief wordt er tot slot nogmaals aangedrongen dat de bevoegde overheden op alle beleidsniveaus en de aanbestedende diensten nauwlettend toezien op de naleving van genoemde verplichtingen.

...................

Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister - Overheidsopdrachten. - Registratie. - Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de sociale en fiscale schulden van een aannemer - Advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten

Vindplaats: B.S. 1 augustus 2008

In zijn advies wijst de Commissie voor de overheidsopdrachten de aanbestedende overheden die onderworpen zijn aan boek I van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten erop dat, ingevolge de hervorming van het systeem van de registratie en van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de sociale en fiscale schulden van de aannemers bij programmawet van 27 april 2007, met ingang van 1 januari 2008:
  1. de registratie van de aannemer op het ogenblik van de gunning van de opdracht de aanbestedende overheid niet langer beschermt tegen de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de sociale of fiscale schulden van haar medecontractant. Voortaan vloeit deze hoofdelijke aansprakelijkheid voort uit het afsluiten van een overeenkomst met een aannemer, ongeacht of hij geregistreerd is of niet, die daadwerkelijk sociale of fiscale schulden heeft op het ogenblik van de gunning van de opdracht (in het licht van de registratiewetgeving en niet ten aanzien van de reglementering overheidsopdrachten). Deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden vermeden indien, bij elke betaling aan de aannemer, de aanbestedende overheid correct de inhoudingen en stortingen verricht als bedoeld in artikel 30bis, paragraaf 4, van de wet van 27 juni 1969 en artikel 403 van het Wetboek van inkomstenbelastingen (WIB) 1992;
  2. de artikelen 90, paragraaf 5, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 en 78, paragraaf 5, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 hun betekenis hebben verloren en niet meer mogen worden geïnterpreteerd in die zin dat de registratie wordt opgelegd als regelmatigheidsvoorwaarde van de offerte;
  3. het bestaan van sociale of fiscale schulden een uitsluitingsgrond blijft bij overheidsopdrachten en het steeds mogelijk is om dit na te gaan vanaf het stadium van de kwalitatieve selectie tot aan de gunning van de opdracht.
In voormelde omzendbrief wordt nader ingegaan op de door de programmawet van 27 april 2007 ingevoerde innovaties en worden deze verduidelijkt, inzonderheid wat betreft het regelmatigheidsonderzoek van de offertes. Ook worden richtlijnen gegeven hoe aanbestedende overheden in het kader van een dergelijk regelmatigheidsonderzoek concreet moeten tewerk gaan.


3. Rechtspraak

Hof van Justitie


...................

Vindplaats: http://www.curia.europa.eu

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Met zijn eerste drie vragen wenst het Bundesvergabeamt in wezen te vernemen onder welke voorwaarden wijzigingen van een bestaande overeenkomst tussen een aanbestedende dienst en een dienstverlener kunnen worden aangemerkt als een nieuwe plaatsing van een overheidsopdracht voor dienstverlening in de zin van richtlijn 92/50.

Richtlijn 92/50 (de vroegere richtlijn 'Overheidsopdrachten Diensten') bevat geen expliciet antwoord op deze vragen, maar geeft wel verschillende relevante aanwijzingen, die moeten worden gesitueerd binnen het algemeen kader van de gemeenschapsregels inzake overheidsopdrachten.

Volgens de rechtspraak is het hoofddoel van de gemeenschapsregels inzake overheidsopdrachten het garanderen van het vrij verkeer van diensten en de openstelling voor onvervalste mededinging in alle lidstaten (zie arrest van 11 januari 2005, Stadt Halle en RPL Lochau, C-26/03, Jurispr. blz. I-1, punt 44). Dit tweeledige doel wordt expliciet bevestigd door de tweede, zesde en twintigste overweging van de considerans van richtlijn 92/50.

Teneinde dit tweeledige doel te bereiken past het gemeenschapsrecht met name het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers en de daaruit voortvloeiende verplichting tot transparantie toe (zie in die zin arresten van 18 november 1999, Unitron Scandinavia en 3-S, C-275/98, Jurispr. blz. I-8291, punt 31; 7 december 2000, Telaustria en Telefonadress, C-324/98, Jurispr. blz. I-10745, punten 60 en 61, en 29 april 2004, Commissie/CAS Succhi di Frutta, C-496/99 P, Jurispr. blz. I-3801, punten 108 en 109).

Wat de in richtlijn 92/50 bedoelde opdrachten betreft die volledig of grotendeels betrekking hebben op de in bijlage IA erbij vermelde diensten, past deze richtlijn de bovengenoemde beginselen en verplichting tot transparantie toe door met name bepaalde aanbestedingsprocedures voor te schrijven. Voor de in richtlijn 92/50 bedoelde opdrachten die volledig of grotendeels betrekking hebben op de in bijlage IB erbij vermelde diensten, schrijft deze richtlijn wat aanbestedingsprocedures betreft niet dezelfde regels voor, maar deze categorie van overheidsopdrachten voor dienstverlening blijft niettemin onderworpen aan de fundamentele regels van gemeenschapsrecht en aan de daaruit voortvloeiende verplichting tot transparantie (zie in die zin arrest van 13 november 2007, Commissie/Ierland, C-507/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 26, 30 en 31).

Met het oog op het garanderen van de transparantie van de procedures en de gelijke behandeling van de inschrijvers, vormen wijzigingen van de bepalingen van een overeenkomst inzake een overheidsopdracht tijdens de geldigheidsduur ervan een nieuwe plaatsing van een opdracht in de zin van richtlijn 92/50, wanneer zij kenmerken vertonen die wezenlijk verschillen van de bepalingen van de oorspronkelijke overeenkomst en die bijgevolg doen blijken van de wil van partijen om opnieuw te onderhandelen over de wezenlijke voorwaarden van deze overeenkomst (zie in die zin arrest van 5 oktober 2000, Commissie/Frankrijk, C-337/98, Jurispr. blz. I-8377, punten 44 en 46).

De wijziging van een nog lopende overeenkomst inzake een overheidsopdracht kan worden aangemerkt als wezenlijk wanneer zij voorwaarden invoert die, wanneer zij in de oorspronkelijke aanbestedingprocedure waren genoemd, zouden hebben geleid tot toelating van andere inschrijvers dan die welke oorspronkelijk waren toegelaten, of tot de keuze voor een andere offerte dan die waarvoor oorspronkelijk was gekozen.

Een wijziging van de oorspronkelijke overeenkomst kan eveneens als wezenlijk worden aangemerkt wanneer zij de markt in belangrijke mate uitbreidt tot diensten die oorspronkelijk niet waren opgenomen. Deze laatste uitlegging vindt bevestiging in artikel 11, lid 3, sub e en f, van richtlijn 92/50, dat voor overheidsopdrachten voor dienstverlening die volledig of grotendeels betrekking hebben op de in bijlage IA bij deze richtlijn vermelde diensten, beperkingen stelt aan de mogelijkheid voor de aanbestedende diensten om gebruik te maken van de onderhandelingsprocedure voor het plaatsen van diensten die een aanvulling vormen op de diensten waarop een oorspronkelijke overeenkomst betrekking had.

Een wijziging kan ook als wezenlijk worden aangemerkt wanneer zij het economische evenwicht van de overeenkomst wijzigt in het voordeel van de opdrachtnemer op een wijze die door de voorwaarden van de oorspronkelijke opdracht niet was bedoeld.

De aan het Hof voorgelegde vragen dienen tegen de achtergrond van de voorgaande overwegingen te worden onderzocht.

Eerste vraag

De eerste vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op de overdracht in 2000 aan APA-OTS van de OTS-diensten die tot dan toe door APA werden verleend. Hij wenst in wezen te vernemen of een verandering van contractpartner in omstandigheden als die van het hoofdgeding een nieuwe plaatsing van een opdracht vormt, in de zin van de artikelen 3, leden 1, 8 en 9, van richtlijn 92/50.

Over het algemeen dient de vervanging van de contractpartner aan wie de aanbestedende dienst de opdracht oorspronkelijk had toegewezen, door een nieuwe contractpartner, te worden aangemerkt als een wijziging van de wezenlijke voorwaarden van de betrokken overeenkomst inzake de overheidsopdracht, tenzij deze vervanging is vastgelegd in de voorwaarden van de oorspronkelijke overeenkomst, bijvoorbeeld op basis van onderaanneming.

Volgens de verwijzingsbeslissing bezit APA-OTS, daar zij is opgericht als vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een andere rechtspersoonlijkheid dan de oorspronkelijke opdrachtnemer APA.

Ook staat vast dat sinds de overdracht in 2000 van de OTS-diensten van APA aan APA-OTS, de aanbestedende dienst de betalingen voor deze dienst rechtstreeks aan APA-OTS, en niet meer aan APA heeft gedaan.

De overdracht van de betrokken activiteit vertoont evenwel bepaalde bijzondere kenmerken, die de slotsom wettigen dat dergelijke wijzigingen, die zijn aangebracht in een situatie als in het hoofdgeding, geen wijziging van een wezenlijke voorwaarde van de overeenkomst vormen.

Uit het dossier blijkt namelijk dat APA-OTS een 100 % dochtermaatschappij is van APA, dat APA de zeggenschap uitoefent over APA-OTS en dat er tussen deze twee entiteiten een overeenkomst is gesloten op grond waarvan winsten en verliezen aan APA werden overgedragen. Bovendien volgt uit het dossier dat een vertegenwoordigingsbevoegde medewerker van APA de aanbestedende dienst heeft verzekerd dat APA, na de overdracht van de OTS-diensten, samen met APA-OTS hoofdelijk aansprakelijk was en dat de totale prestatie niet zou veranderen.

Een dergelijke regeling komt in wezen neer op een interne reorganisatie van de contractpartner, waardoor de voorwaarden van de oorspronkelijke overeenkomst niet wezenlijk worden gewijzigd.

Binnen deze context wenst de verwijzende rechter te vernemen of de omstandigheid dat de aanbestedende dienst geen zekerheid heeft dat de aandelen APA-OTS niet op enig moment gedurende de looptijd van de overeenkomst aan derden zullen worden verkocht, rechtens relevant is.

Wanneer de aandelen APA-OTS gedurende de looptijd van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst aan een derde zouden worden verkocht, zou het niet meer gaan om een interne reorganisatie van een oorspronkelijke contractpartner, maar om een daadwerkelijke wijziging van contractpartner, hetgeen in beginsel een wijziging vormt van een wezenlijke voorwaarde van de overeenkomst. Een dergelijke gebeurtenis kan neerkomen op een nieuwe plaatsing van een overheidsopdracht voor dienstverlening in de zin van richtlijn 92/50.

Een soortgelijke redenering gaat op wanneer de verkoop van de aandelen in de dochtermaatschappij aan een derde reeds was voorzien op het tijdstip waarop de betrokken activiteiten aan deze dochter werden overgedragen (zie in die zin arrest van 10 november 2005, Commissie/Oostenrijk, C-29/04, Jurispr. blz. I-9705, punten 38-42).

Zolang evenwel van een dergelijke ontwikkeling geen sprake is, blijft de beoordeling in punt 45 van het onderhavige arrest opgaan, volgens welke de aan de orde zijnde situatie een interne reorganisatie van de contractpartner vormt. Het ontbreken van de zekerheid dat de aandelen in de dochtermaatschappij gedurende de looptijd van de opdracht niet aan derden zullen worden verkocht, doet niet af aan die conclusie.

De verwijzende rechter wenst voorts te vernemen welke rechtsgevolgen verbonden zijn aan het feit dat de aanbestedende dienst er niet zeker van is dat de ledensamenstelling van de oorspronkelijke dienstverrichter tijdens de volledige looptijd van de overeenkomst ongewijzigd blijft.

Overheidsopdrachten worden in de regel toegekend aan rechtspersonen. Wanneer een rechtspersoon is opgericht als naamloze vennootschap en aan de beurs is genoteerd, vloeit uit de aard ervan voort dat de samenstelling van haar aandeelhouders elk moment kan wijzigen. Deze situatie doet in beginsel niet af aan de geldigheid van de gunning van een overheidsopdracht aan een dergelijke vennootschap. Dit kan anders liggen in uitzonderlijke gevallen, zoals bij handelingen die zijn bedoeld om de gemeenschapsregels inzake de plaatsing van overheidsopdrachten te omzeilen.

Vergelijkbare overwegingen gelden binnen het kader van overheidsopdrachten die worden toegekend aan rechtspersonen die, zoals in het hoofdgeding, niet zijn opgericht in de vorm van een naamloze vennootschap, maar in de vorm van een geregistreerde coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Eventuele wijzigingen in de samenstelling van de kring van leden van een dergelijke coöperatie brengen in beginsel geen wezenlijke wijziging van de aan haar gegunde opdracht met zich mee.

Derhalve doen ook deze overwegingen niet af aan de slotsom in punt 45 van het onderhavige arrest.

Hieruit volgt dat op de eerste vraag dient te worden geantwoord dat de begrippen „het plaatsen' in artikel 3, lid 1, en „geplaatst' in de artikelen 8 en 9 van richtlijn 92/50 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet een situatie omvatten als die in het hoofdgeding, waarin de door de oorspronkelijke dienstverrichter ten behoeve van de aanbestedende dienst verrichte diensten worden overgedragen aan een andere dienstverrichter die is opgericht in de vorm van een kapitaalvennootschap waarvan de oorspronkelijke dienstverrichter enig aandeelhouder is, die door middel van instructies de zeggenschap uitoefent over de nieuwe dienstverrichter, voor zover de oorspronkelijke dienstverrichter aansprakelijk blijft voor de naleving van de contractuele verplichtingen.

Tweede vraag 

De tweede vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op de wijzigingen die in de basisovereenkomst zijn aangebracht middels de in 2001 overeengekomen en op 1 januari 2002 in werking getreden eerste aanvulling. Hij wenst in wezen te vernemen of bepaalde prijswijzigingen een nieuwe plaatsing van een opdracht in de zin van richtlijn 92/50 vormen.

Deze prejudiciële vraag betreft, in de eerste plaats, de omzetting van de prijzen in euro's waarbij het intrinsieke bedrag ervan niet werd gewijzigd, in de tweede plaats, de omzetting van de prijzen in euro's waarbij het intrinsieke bedrag ervan werd verlaagd, en, in de derde plaats, de herformulering van een prijsindexeringsclausule.

Hierop dient te worden geantwoord dat wanneer naar aanleiding van de omschakeling op de euro een bestaande overeenkomst aldus wordt gewijzigd dat prijzen die oorspronkelijk in de nationale munteenheid werden uitgedrukt, in euro's worden omgezet, dit geen wezenlijke wijziging van de overeenkomst vormt, maar enkel een aanpassing ervan aan gewijzigde externe omstandigheden, op voorwaarde dat de bedragen in euro's worden afgerond conform de geldende bepalingen, met name die van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PB L 162, blz.1).

Wanneer de afronding van de in euro's omgezette prijzen het door de toepasselijke bepalingen toegestane bedrag overschrijdt, is er sprake van een wijziging van het intrinsieke bedrag van de prijzen die waren voorzien in de oorspronkelijke overeenkomst. Derhalve rijst de vraag of een dergelijke wijziging van de prijzen een nieuwe plaatsing van een opdracht vormt.

Het is duidelijk dat de prijs een belangrijke voorwaarde van de opdracht vormt (zie in die zin arrest Commissie/CAS Succhi di Frutta, reeds aangehaald, punt 117).

Het wijzigen van een dergelijke voorwaarde tijdens de geldigheidsduur van de opdracht zonder dat de voorwaarden van de oorspronkelijke opdracht dit uitdrukkelijk toestaan, kan een schending van de beginselen van doorzichtigheid en van gelijke behandeling van de inschrijvers tot gevolg hebben (zie in die zin arrest Commissie/CAS Succhi di Frutta, reeds aangehaald, punt 121).

Niettemin kan de omzetting in euro's van de prijzen van een geldende overeenkomst vergezeld gaan van een aanpassing van hun intrinsieke bedrag zonder dat dit een nieuwe plaatsing van een opdracht inhoudt, op voorwaarde dat het daarbij gaat om een minimale, objectief verklaarbare aanpassing, hetgeen het geval is wanneer zij bedoeld is om de uitvoering van de opdracht te vergemakkelijken, bijvoorbeeld door de facturering te vereenvoudigen.

In het hoofdgeding is de jaarlijkse vergoeding voor het gebruik van redactionele artikelen en media-archieven slechts met 0,3 % verminderd, om te kunnen uitkomen op een rond getal, dat de berekeningen kan vereenvoudigen. Verder zijn de prijzen per regel voor de opname van persberichten in de OTS-dienst voor 2002 en 2003 verminderd met respectievelijk 2,94 % en 1,47 %, om deze prijzen, eveneens ter vereenvoudiging van de berekeningen, te kunnen uitdrukken in ronde getallen. Behalve dat zij betrekking hebben op een lager bedrag, zijn deze prijsaanpassingen niet in het voordeel, maar in het nadeel van de opdrachtnemer, aangezien deze genoegen neemt met lagere dan de uit de normalerwijze toepasselijke omzettings- en indexeringsregels voortvloeiende prijzen.

In dergelijke omstandigheden mag ervan worden uitgegaan dat een aanpassing van de prijzen van een nog geldende overeenkomst inzake een overheidsopdracht de wezenlijke voorwaarden van deze overeenkomst niet zodanig wijzigt, dat dit een nieuwe plaatsing van een opdracht in de zin van richtlijn 92/50 vormt.

Wat de herformulering van de indexeringsclausule betreft, zij opgemerkt dat paragraaf 5, lid 3, van de basisovereenkomst met name bepaalde dat als maatstaf voor de berekening van de indexering de consumentenprijsindex 86 (VPI 86), bekendgemaakt door het Österreichisches Statistisches Zentralamt (ÖSTAT) geldt, of het daarvoor in de plaats tredende nieuwe indexcijfer.

Hieruit volgt dat de basisovereenkomst voorzag in de vervanging van de daarin vermelde prijsindex door een later indexcijfer.

Door middel van de eerste aanvulling is de in de basisovereenkomst vermelde prijsindex, te weten de consumentenprijsindex van 1986 (VPI 86), bekendgemaakt door ÖSTAT, vervangen door een recenter indexcijfer, te weten de, eveneens door ÖSTAT bekendgemaakte, consumentenprijsindex van 1996 (VPI 96).

Zoals in punt 19 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft deze aanvulling als referentiepunt genomen het indexcijfer dat was berekend voor 2001, het jaar waarin deze aanvulling werd overeengekomen, in plaats van het cijfer van 1994, het jaar waarin de basisovereenkomst werd gesloten. Deze aanpassing van het referentiepunt strookt met de aanpassing van de prijsindex.

Hieruit volgt dat de eerste aanvulling enkel een toepassing vormt van de in de basisovereenkomst opgenomen bepalingen inzake de aanpassing van de indexeringsclausule.

In dergelijke omstandigheden moet worden vastgesteld dat de verwijzing naar een nieuwe prijsindex de wezenlijke voorwaarden van de oorspronkelijke opdracht niet zodanig wijzigt dat dit een nieuwe plaatsing van een opdracht in de zin van richtlijn 92/50 vormt.

Hieruit volgt dat op de tweede vraag dient te worden geantwoord dat de begrippen 'het plaatsen' in artikel 3, lid 1, en 'geplaatst' in de artikelen 8 en 9 van richtlijn 92/50 aldus moeten worden uitgelegd dat daaronder niet vallen een aanpassing van de oorspronkelijke overeenkomst aan gewijzigde externe omstandigheden, zoals de omzetting in euro's van prijzen die oorspronkelijk in de nationale munteenheid werden uitgedrukt, de minimale aanpassing van deze prijzen met het oog op de afronding ervan en de verwijzing naar een nieuwe prijsindex, die krachtens de oorspronkelijke overeenkomst in de plaats treedt van het eerder vastgestelde indexcijfer.

Derde vraag

De derde vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op de wijzigingen van de basisovereenkomst middels de tweede aanvulling, overeengekomen in oktober 2005 en in werking getreden op 1 januari 2006.

Deze rechter wenst in wezen te vernemen i) of het overeenkomen van een nieuwe clausule inzake afstand van de mogelijkheid tot opzegging van de overeenkomst, ii) dan wel de verhoging van de toegekende kortingen op de prijzen van bepaalde diensten die het voorwerp vormen van de overeenkomst, tot gevolg heeft dat er sprake is van een nieuwe plaatsing van een opdracht.

Wat allereerst het overeenkomen, tijdens de geldigheidsduur van een voor onbepaalde tijd afgesloten overeenkomst, van een nieuwe clausule inzake afstand van de opzegmogelijkheid betreft, zij eraan herinnerd dat de praktijk om een overeenkomst inzake een overheidsopdracht voor dienstverlening voor onbepaalde tijd af te sluiten, op zichzelf niet past binnen het stelsel en de doelstelling van de gemeenschapsregels betreffende overheidsopdrachten. Een dergelijke praktijk kan namelijk op den duur de mededinging tussen de potentiële dienstverleners belemmeren en de toepassing van de bepalingen van de communautaire richtlijnen inzake de openbaarheid van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten verhinderen.

Het gemeenschapsrecht voorziet bij de huidige stand ervan evenwel niet in een verbod op voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomsten inzake overheidsopdrachten voor dienstverlening.

Ook een clausule waarbij partijen zich ertoe verbinden een voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomst gedurende een bepaalde periode niet te zullen opzeggen, wordt niet reeds op voorhand als strijdig met het communautaire recht inzake overheidsopdrachten aangemerkt.

Blijkens punt 34 van het onderhavige arrest is het relevante criterium om te kunnen bepalen of het overeenkomen van een dergelijke clausule een nieuwe plaatsing van een opdracht vormt, de vraag of deze clausule dient te worden aangemerkt als een wezenlijke wijziging van de oorspronkelijke overeenkomst (zie in die zin arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punten 44 en 46).

De clausule die in het hoofdgeding aan de orde is, legt de afstand van elke opzegmogelijkheid gedurende de periode van 2005 tot en met 2008 vast.

Niettemin had de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst na de afloop, op 31 december 1999, van de in de basisovereenkomst opgenomen clausule inzake afstand van de mogelijkheid van opzegging, met inachtneming van een opzegtermijn, op elk moment kunnen worden beëindigd. Toch is deze overeenkomst gedurende de periode van 2000 tot en met 2005 van kracht gebleven, daar noch de aanbestedende dienst noch de dienstverlener van zijn recht van opzegging ervan gebruik heeft gemaakt.

Uit het dossier blijkt niet dat de aanbestedende dienst gedurende de periode van 2005 tot en met 2008, waarin de clausule inzake afstand van de mogelijkheid van opzegging gold, zonder deze clausule concreet voornemens zou zijn geweest om de lopende overeenkomst te beëindigen en een nieuwe aanbesteding uit te schrijven. Ook al was hij dit wel van plan geweest, dan nog heeft de looptijd van deze clausule, te weten drie jaar, hem dit in verhouding tot de voor het organiseren van een dergelijke operatie benodigde tijd niet buitensporig lang verhinderd. In deze omstandigheden is niet aangetoond dat een dergelijke clausule inzake afstand van de mogelijkheid van opzegging, mits deze niet systematisch opnieuw in de overeenkomst wordt opgenomen, de mededinging dreigt te vervalsen in het nadeel van potentiële nieuwe inschrijvers. Bijgevolg kan deze clausule niet worden aangemerkt als een wezenlijke wijziging van de oorspronkelijke overeenkomst.

Hieruit volgt dat, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, de opname van een clausule inzake afstand van de opzegmogelijkheid gedurende een periode van drie jaar tijdens de geldigheidsduur van een voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomst inzake dienstverlening, geen nieuwe plaatsing van een opdracht in de zin van richtlijn 92/50 vormt.

Wat in de tweede plaats de bij de tweede aanvulling voorziene verhoging van de korting betreft, zij eraan herinnerd dat de basisovereenkomst voor de betrokken diensten voorzag in „een prijs [...] die overeenkomt met de laagste trap van de schaal van het officiële gebruikstarief [...], verminderd met 15 %.'

Volgens de aan het Hof verschafte gegevens heeft deze vermelding betrekking op het door APA gehanteerde degressieve tarief, op basis waarvan de prijzen van de betrokken diensten lager worden wanneer de consumptie van deze diensten door de contractspartner van APA toeneemt.

Voorts komt volgens sommige van deze gegevens de verhoging van het kortingpercentage van 15 % naar 25 % neer op de toepassing van een lagere prijs. Hoewel hun formele presentatie verschilt, is het economisch effect van een prijsverlaging vergelijkbaar met dat van een verhoging van een kortingpercentage.

In deze omstandigheden kan de verhoging van de korting aldus worden uitgelegd dat zij onder de clausules van de basisovereenkomst valt.

Bovendien wordt enerzijds door de verhoging van de korting, die tot gevolg heeft dat de door de opdrachtnemer ontvangen vergoeding wordt verlaagd ten opzichte van die welke oorspronkelijk was vastgesteld, het economisch evenwicht van de overeenkomst niet in het voordeel van de opdrachtnemer gewijzigd.

Anderzijds kan het enkele feit dat de aanbestedende dienst een hogere korting ontvangt op een deel van de diensten die het voorwerp van een opdracht vormen, niet leiden tot concurrentievervalsing in het nadeel van potentiële inschrijvers.

Uit het voorgaande volgt dat in een situatie als die in het hoofdgeding, het feit dat, middels een aanvulling, voor bepaalde hoeveelheidafhankelijke prijzen, voor een specifiek gebied hogere kortingen worden vastgesteld dan die welke oorspronkelijk waren voorzien, niet kan worden aangemerkt als een wezenlijke wijziging van de overeenkomst en, bijgevolg, geen nieuwe plaatsing van een opdracht in de zin van richtlijn 92/50 vormt.

Derhalve dient op de derde vraag te worden geantwoord dat de begrippen 'het plaatsen' in artikel 3, lid 1, en 'geplaatst' in de artikelen 8 en 9 van richtlijn 92/50 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet een situatie omvatten als die in het hoofdgeding, waarin een aanbestedende dienst tijdens de geldigheidsduur van een voor onbepaalde tijd met de opdrachtnemer gesloten overeenkomst inzake dienstverrichting, met deze opdrachtnemer middels een aanvulling overeenkomt om een clausule inzake afstand van de opzegmogelijkheid die op de datum waarop de nieuwe clausule wordt overeengekomen niet meer geldt, voor drie jaar te vernieuwen, en daarbij met laatstgenoemde op een specifiek gebied hogere kortingen overeenkomt dan die welke oorspronkelijk waren voorzien voor bepaalde hoeveelheidafhankelijke prijzen.

...................

Vindplaats: http://www.curia.europa.eu
De eerste en de tweede vraag

Met de eerste en de tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 43 EG, 49 EG en 86, lid 1, EG alsook de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en transparantie zich verzetten tegen een regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die onder de daarin bepaalde voorwaarden voorziet in verlenging van de overgangsperiode bij de afloop waarvan een concessie voor aardgasdistributie als die in het hoofdgeding vervroegd vervalt.

Antwoord van het Hof

Een openbaredienstconcessie als die in het hoofdgeding valt niet binnen de werkingssfeer van de richtlijnen die op de verschillende categorieën overheidsopdrachten betrekking hebben (zie met name arrest van 21 juli 2005, Coname, C-231/03, Jurispr. blz. I-7287, punt 16).

Het Hof heeft evenwel beslist dat de overheidsinstanties die een dergelijke concessie willen verlenen, de fundamentele regels van het EG-Verdrag in het algemeen en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in het bijzonder in acht moeten nemen (zie met name in die zin voormelde arresten Telaustria en Telefonadress, punt 60, en Coname, punt 16; arrest van 13 oktober 2005, Parking Brixen, C-458/03, Jurispr. blz. I-8585, punt 46, alsook voormeld arrest ANAV, punt 18).

In het bijzonder wanneer een dergelijke concessie een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft, levert de verlenging ervan aan een in de lidstaat van de aanbestedende dienst gevestigde onderneming, zonder dat er sprake is van enige transparantie, een ongelijke behandeling op ten nadele van de in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen die in deze concessie geïnteresseerd zouden kunnen zijn (zie in die zin arrest van 13 november 2007, Commissie/Ierland, C-507/03, Jurispr. blz. I-0000, punt 30).

Behoudens objectieve rechtvaardiging vormt een dergelijke ongelijke behandeling, die voornamelijk in het nadeel is van in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen, die immers alle worden uitgesloten, een door de artikelen 43 EG en 49 EG verboden indirecte discriminatie op grond van nationaliteit (voormeld arrest Commissie/Ierland, punt 31).

Voorts verzet artikel 86, lid 1, EG zich ertegen dat de lidstaten met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, een nationale regeling handhaven die in strijd is met de artikelen 43 EG en 49 EG.

Enerzijds kan geenszins worden uitgesloten dat de concessie waarom het in het hoofdgeding gaat, gelet op de door het Hof geformuleerde criteria, met name de plaats van uitvoering en de economische betekenis ervan, een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft (zie naar analogie arrest van 15 mei 2008, SECAP en Santorso, C-147/06 en C-148/06, Jurispr. blz. I-00000, punt 31). Dat geldt temeer aangezien de nationale regeling zonder onderscheid op alle concessies kan worden toegepast.

Anderzijds veroorzaakt een regeling als aan de orde in het hoofdgeding, door het uitstel van de verlening van een nieuwe concessie in het kader van een openbare procedure, althans gedurende dit uitstel, een ongelijke behandeling ten nadele van de in een andere lidstaat dan die van de aanbestedende dienst gevestigde ondernemingen die in een dergelijke concessie geïnteresseerd zouden kunnen zijn.

Deze ongelijke behandeling kan evenwel gerechtvaardigd worden door objectieve omstandigheden, zoals de noodzaak het rechtszekerheidsbeginsel in acht te nemen.

Dit beginsel maakt deel uit van de communautaire rechtsorde (arrest van 21 september 1983, Deutsche Milchkontor e.a., 205/82-215/82, Jurispr. blz. 2633, punt 30) en moet in acht worden genomen door iedere nationale instantie die belast is met de toepassing van het gemeenschapsrecht (zie in die zin arrest van 27 september 1979, Eridania-Zuccherifici nazionali en Società italiana per l'industria degli zuccheri, 230/78, Jurispr. blz. 2749, punt 31).

Dienaangaande moet in een situatie als die in het hoofdgeding rekening worden gehouden met drie soorten factoren.

In de eerste plaats laat richtlijn 2003/55 de bestaande concessies voor aardgasdistributie onverlet.

In de tweede plaats zou blijkens de verwijzingsbeschikking de in 1984 verleende concessie tot 2029 effect sorteren. De vervroegde beëindiging ervan krachtens wetsbesluit 273/2005, waardoor de Comune di Rodengo Saiano een aanbesteding zal moeten uitschrijven voor de verlening van een nieuwe concessie, kan dus tot een betere naleving van het gemeenschapsrecht leiden.

In de derde plaats verlangt het rechtszekerheidsbeginsel onder meer dat de gevolgen van rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn, in het bijzonder wanneer die regels nadelig kunnen werken voor particulieren en ondernemingen (zie in die zin arrest van 7 juni 2005, VEMW e.a., C-17/03, Jurispr. blz. I-4983, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

In dit opzicht is van belang dat de concessie die in het hoofdgeding aan de orde is, is verleend in 1984, voordat het Hof besliste dat voor overeenkomsten met een duidelijk grensoverschrijdend belang krachtens het primaire gemeenschapsrecht transparantieplichten konden gelden in de in de punten 59 en 60 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte omstandigheden.

In deze omstandigheden, en zonder dat hoeft te worden ingegaan op het vertrouwensbeginsel, levert het rechtszekerheidsbeginsel niet alleen grond op, maar vereist het ook, dat aan de beëindiging van een dergelijke concessie een overgangsperiode wordt verbonden, zodat de medecontractanten hun contractuele betrekkingen in aanvaardbare omstandigheden kunnen afwikkelen, zowel vanuit het oogpunt van de eisen van de openbare dienst als in economisch opzicht.

Het is aan de verwijzende rechter te beoordelen of in het bijzonder de verlenging van de overgangsperiode door een regeling als aan de orde in het hoofdgeding, noodzakelijk kan zijn ter eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel.

Op de eerste en de tweede vraag dient dus te worden geantwoord dat de artikelen 43 EG, 49 EG en 86, lid 1, EG zich er niet tegen verzetten dat een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, onder de daarin bepaalde voorwaarden voorziet in verlenging van de overgangsperiode bij de afloop waarvan een concessie voor aardgasdistributie als die in het hoofdgeding vervroegd zal vervallen, voor zover een dergelijke verlenging noodzakelijk kan worden geacht om de medecontractanten in staat te stellen hun contractuele betrekkingen in aanvaardbare omstandigheden af te wikkelen, zowel vanuit het oogpunt van de eisen van de openbare dienst, als in economisch opzicht.

...................
Hoven van Beroep



Overheidsopdracht- artikel 15 paragraaf 6 AAV - Recht aannemer om uitvoering werken op te schorten - schending goede trouw bij beperkte openstaande bedragen - Slechts bedrag van 254,75 euro aan vervallen rente verschuldigd - Dergelijk bedrag veel te gering om stillegging van de werken te wettigen - Houding aannemer druiste in dit geval volkomen in tegen het principe van de goede trouw

...................


Uit het loutere feit dat de Raad van State de afstand van de vordering in nietigverklaring van de gunningbeslissing heeft vastgesteld omwille van een vastgestelde onregelmatigheid bij de voortzetting van de administratieve procedure, kan geen afstand van het recht om schadevergoeding wegens een door het bestuur begane fout worden afgeleid.

Zelfs al vertegenwoordigt een post slechts een klein percentage van het totaal bedrag van de opdracht, hetzij slechts een fractie van één procent, dan nog kan de hiervoor opgegeven lage prijs weliswaar tot de onregelmatigheid van de inschrijving leiden, indien zou blijken dat ingevolge deze lage prijs ernstige bouwtechnische bezwaren kunnen bestaan omtrent het resultaat resp. de kwaliteit van het bestelde werk. Dit blijkt in casu echter niet het geval te zijn.

...................

Openbare aanbesteding - Geen prijsherzieningsformule voorzien - Algemeen principe is het forfait en de prijsherziening is de uitzondering, zodat slechts sprake kan zijn van een recht op herziening voor zover dit door de aanbestedende overheid is toegestaan, quod non - Wanneer opdracht werd gegund volgens regel absoluut forfait kan het stijgen of dalen van de prijs van de aangewende materialen of van de lonen en de sociale lasten na de totstandkoming van de overeenkomst bezwaarlijk als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 16, paragraaf 2 AAV worden beschouwd.

...................
Raad van State


Op 11 december 2006 treft de bevoegde ambtenaar in opdracht van de Minister van Landsverdediging een 'Gemotiveerde beslissing betreffende de algemene offerteaanvraag voor de levering van keukentoestellen te Saffraanberg' waarbij de opdracht voor een bedrag van 866.333,38 euro wordt toegewezen aan de NV G.B.M. Uit die beslissing kan ook worden afgeleid dat de offerte van de verzoekende partij niet bij de regelmatige offertes hoort.

Met een brief gedagtekend op 12 december 2006 wordt de verzoekende partij in kennis gesteld van de voormelde beslissing van 11december 2006 en luidt de motivering van de niet-conformiteit van haar offerte in een bijlage bij die brief als volgt:
  • 'Motieven voor de niet-conformiteit van de firma ASOGEM EQUIPMENT n.v. In het schrijven waarmee de firma zijn offerte begeleid, vermeldt de firma letterlijk: 'Zijn niet in de prijs begrepen: belangrijke bouwkundige werken (bv. doorboren van muren, zolderingen of balken, openen en sluiten van valse zolderingen) (...)'
  • In deel A, Par 1.1 van de Bijl C aan het bestek 6IP045 wordt nochtans duidelijk gesteld:
  • 'De aanneming omvat:
    • a) Alle leveringen - verwerken en opstellen ter plaatse het lassen, laden, vervoeren, aansluiten en indienststellen van de gehele nieuwe keuken. Alle aansluitingen van zowel electriciteit - koud- en warmwatervoeding als de wateraflopen, gasaansluitingen zijn inbegrepen in de prijs.
    • b) Alle voorbereidende werken, boringen, vloer- en muurdoorgangen, verankeringen enz. (...)'.
      Aangezien de inschrijver hiermee een voorbehoud uitdrukt en aldus afwijkt van de essentiële besteksbepalingen, wordt hij in toepassing van Art 110, Par 2 als onregelmatig beschouwd';
...

Overwegende dat overeenkomstig artikel 110, paragraaf 2, en artikel 89 van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996, de prijs een essentiële voorwaarde van de opdracht is, een offerte nietig is bij afwijking van de essentiële besteksbepaling en de overheid een offerte als onregelmatig kan beschouwen als ze enig voorbehoud inhoudt; dat te dezen de verwerende partij op het eerste gezicht terecht heeft gemeend dat de prijsopgave van de verzoekende partij - met haar restrictie betreffende de prijs die een onvergelijkbaarheid tussen de inschrijvers met zich meebracht en tot een duidelijk voordeel leek te kunnen leiden voor de verzoekende partij dat ze zichzelf toekende - een voorbehoud leek in te houden dat een afwijking inhield van een essentiële besteksbepaling; dat daartoe nadere motivering niet meer noodzakelijk was; dat het dienvolgens lijkt dat de verwerende partij, zonder de in het middel geschonden geachte bepalingen en beginselen te schenden, de bestreden beslissingen heeft mogen nemen;

[volgt verwerping van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid]



BAETEN, S., 'Het arrest Asemfo: stappen vooruit inzake inbesteding', C.D.P.K.  2008, afl. 1, pp. 213-218

BOMBOIS, T., DUBOIS, C., « La conciliation de la protection du secret des affaires et du principe du contradictoire dans les recours en matière de marchés publics: l'arrêt Varec de la Cour de justice », J.T.  2008, afl. 6316, pp. 426-431

BRUYNINCKX, T., 'Staatssteun en overheidsopdrachten', NjW  2008, afl. 183, pp. 422-431

DE HERDT, J., 'Queeste naar 'algemene beginselen van behoorlijk selecteren door bestuur'. Vergelijkende studie van de algemene beginselen inzake de selectie van overheidspersoneel enerzijds en van aannemers, leveranciers en dienstverleners van overheidsopdrachten anderzijds', C.D.P.K.  2008, afl. 1, pp. 39-68

DEBIEVRE, J., LAENEN, G., 'Naar een werkelijk preventieve rechtsbescherming bij overheidsopdrachten? De toepassing van artikel 21bis van de wet van 24 december 1993 en de preventieve rechtsbescherming naar komend recht', in X., Rechtsbescherming, Brugge, 2008, Die Keure, pp. 51-119

DEREAU, G., CABUY, Y., « Une nouvelle étape dans le réforme de la législation des marchés publics. Les dernières modifications apportées à la loi du 24 décembre 1993 et à ses arrêtés royaux », A.P.T.  2007-08, afl. 2, pp. 93-118

EKROOS, A., 'EC Legislation on Public Procurement and Sustainable Development', in X., Sustainable Development in International and National Law, Groningen, Europa Law Publishing, 2008, pp. 423-442

ELSEN, M., « Entrepreneur retardé par les retards de cotraitants - Rejet de sa demande d'indemnisation fondée sur l'article 16, par. 1 et 4 du C.G.Ch. - Application critiquable de la clause de forclusion », T. Aann.  2008, afl. 2, pp. 146-150

FLAMME, M., « La sélection qualitative des concurrents », T. Aann.  2008, afl. 2, p. 139

SCHOUPS, M., LEMMENS, K., LAURENS, T., 'Rechtspraak Raad van State (overheidsopdrachten) in kort bestek', TBO 2008, afl. 3, pp. 129-133

VAN GARSSE, S. e.a., Marktverkenning en raadpleging door openbare besturen, PPS-Kenniscentrum, Brussel, 2008


Belangrijke juridische kennisgeving - Disclaimer

Hoewel bij de realisatie van deze nieuwsbrief een zo groot mogelijke nauwkeurigheid en correctheid werd nagestreefd, kan voor de aanwezigheid van eventuele (druk)fouten, onvolkomen- en onvolledigheden niet worden ingestaan en aanvaardt EBP hiervoor geen aansprakelijkheid. De gebruiker van deze nieuwsbrief erkent en aanvaardt, door de loutere aanwending van de inhoud ervan, voormelde afwijzing van aansprakelijkheid.


Ontdek de nieuwe data van onze seminaries voor 2008!



Nieuw!
Vanaf 1 januari 2008 zijn wij vrijgesteld van BTW voor onze seminaries!


Ontdek de portaalsite voor overheidsaankopers: www.publicationsonline.be en zijn meerdere fonctionnaliteiten!



Studiedag:"Inbesteding, aanbesteding en publiek-private samenwerkingen"
Deze studiedag brengt de in-house contracten en PPS-mogelijkheden voor besturen onder het licht: welke is de geldende regelgeving? Wat met het gemeentedecreet? Aan de hand van recente praktijkvoorbeelden worden de laatste wijzigingen uiteengezet door onze vier gastsprekers.


Opleiding: "Integriteitsrisico's bij overheidsopdrachten"
Bent u betrokken bij het aankoopproces binnen uw bestuur, dan dient u de wetgeving overheidsopdrachten scrupuleus na te leven. Als ervaren aankoper weet u dat dit proces niet vrij is van integriteitsrisico's die de reputatie van uw organisatie ernstig kunnen schaden!


Opleiding: "ICT en Overheidsopdrachten"
Hoe kan u een evenwicht vinden tussen de operationele behoeftes van uw bestuur aan ICT-benodigdheden en de wet overheidsopdrachten? Praktijkgericht dagseminarie met al de nuttige tips voor uw ICT-aankoopbeleid.


Operationele leasing van voertuigen, hoe doe je het als overheid ?
Het (operationeel) leasen van voertuigen is een wijd verspreidde techniek.
Waarschijnlijk doet u het als bestuur ook of denkt u eraan.
Nochtans wijst de praktijk uit dat niet steeds om de juiste redenen deze techniek wordt gehanteerd.


Vermijd valkuilen bij overheidsopdrachten van werken!
U zit in de sector van de werken en u wordt dagelijks geconfronteerd met de praktische uitvoering van de wetgeving op de overheidsopdrachten.
Deze wetgeving is een opgelegd instrument dat u enerzijds toelaat uw werkendossiers te stroomlijnen volgens dezelfde procedures en regels, maar dat u anderzijds opzadelt met soms in de praktijk moeilijk toepasbare uitvoeringsmodaliteiten.


Opleiding: "De nieuwe wetgeving overheidsopdrachten"
De nieuwe wet overheidsopdrachten werd op 15 februari in Het Belgisch Staatsblad gepubliceerd! Wat zal deze nieuwe wet in 2007 in uw dagdagelijks praktijk veranderen? Wanneer zullen de KB's ter uitvoering van de wet klaar zijn?


Opleiding: De uitvoeringsregels m.b.t. overheidsopdrachten
Hoe een opdracht tot een goed einde brengen na de toewijzing? Deze opleiding doorloopt de uitvoeringsregels en legt een accent op de praktische implicaties ervan. Concreet bruikbare bagage om uw opdrachten tot een goed einde te brengen!


Basisopleiding: "Succesvol overheidsopdrachten toewijzen"
U doet aankopen voor uw bestuur of u moet het binnenkort gaan doen ? EBP reikt u opnieuw een aantal sessies aan van haar basisopleiding "hoe succesvol overheidsopdrachten toewijzen?".


Studiedag "Overheidsopdrachten van diensten"
De praktische toepassing van de reglementering overheidsopdrachten op dienstenopdrachten.


Opleiding: "Hoe haalt u het maximum uit uw onderhandelingsprocedures?"
Als aankoopprocedure is de onderhandelingsprocedure een godsgeschenk. Hoe deze procedure in de praktijk correct en tot het maximum van haar capaciteit benutten?


Opleiding: "Hoe een correct en coherent lastenboek samenstellen?"
Een goed opgemaakt lastenboek is het noodzakelijke fundament voor een succesvolle opdracht.
Een gebrekkig lastenboek zal de correcte toewijzing en de succesvolle uitvoering van uw overheidsopdrachten hypothekeren!


Opleidingen op maat?
In functie van uw behoefte kunnen opleiding op maat gemaakt worden.
Stuur ons uw vraag en wij werken een oplossing voor u uit.


Gratis Europees publiceren ?





Moet u uw opdracht ook Europees bekend maken ?

Dan kan het door u aangemaakte publicatiebericht op het zelfde moment zowel naar het BDA als naar het Europees Publicatieblad (EPS) online doorsturen (eerst EPS dan BDA) !

Dus geen dubbel werk meer, één keer aanmaken, met één druk op de knop direct versturen naar de 2 publicatieorganen !


U zoekt voorbeeld-lastenboeken ?



Zit u nog in de propectiefaze ?

Dankzij de module "marktverkenning" vindt u op publicatiesonline meer dan 4 000 recente voorbeeld lastenboeken van collega's !

Op basis van het voorwerp van de opdracht ontdekt u via een eenvoudige boomstructuur én de volledige publicatie én het bijhorende lastenboek, onmiddellijk en onbeperkt downloadbaar.

Zo weet u direct wie van uw collega's gelijkaardige aankopen deden in het nabije verleden en hoe zij hun lastenboek hebben samengesteld.


U zoekt leveranciers in het kader van onderhandelingsprocedures zonder bekendmaking / aankopen op eenvoudige factuur ?

U zoekt meer offertes ?



Via de module "marktbevraging" kan u de elementen (voorwerp, administratieve eisen, technische specificaties, ...) van uw onderhandse vraag oplijsten, daarna in het systeem die leveranciers aanmaken aan wie u uw vraag wenst te versturen en/of gebruik maken van de reeds bestaande leveranciersdatabank die eenvoudig toegankelijk is per sector/activiteit.

U bereikt zo bedrijven die hun interesse om voor besturen te werken expliciet hebben aangegeven.

Het systeem stuurt uw vraag electronisch rechtstreeks door aan de door u geselecteerde bedrijven. Aan hun om daarna verder direct met u contact op te nemen.

Tip : U kan deze module niet enkel voor het opvragen van offertes doch ook voor het opvragen van (technische) documentatie aanwenden !


We hopen dat deze nieuwe functionaliteiten u helpen bij uw aanbestedingspraktijk en zijn benieuwd naar uw reacties !

Met vriendelijke groeten,

Bruno De Mulder,

EBP consultant overheidsopdrachten.


Voor meer info over hoe EBP u kan bijstaan bij het voeren van uw overheidsopdrachten verwijs ik u graag naar www.ebp.be

Zit u met een vraag dan kan u ook vrijblijvend met ons contact opnemen via support@ebp.be of bel ons op het nummer 02-420 68 60.

© EBP 2008    l   www.ebp.be    l   Leopold II laan 157, 1080 Brussel   l   T:02/420.68.60.    l   info@ebp.be
Om geen mails meer van ons te krijgen, stuurt u best een mail naar remove@ebp.be