|
EBP-Tenderletter maart 2008 |
|
Richtlijn 2007/66/EG van 11 december 2007 tot wijziging van de rechtsbeschermingsrichtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG
In het Europees Publicatieblad van 20 december 2007 werd de Richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van de Richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten gepubliceerd.( ) Hierna wordt nader ingegaan op de belangrijkste nieuwigheden welke Richtlijn 2007/66/EG heeft doorgevoerd in de rechtsbeschermingsrichtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG, inzonderheid de invoering van een opschortende minimumtermijn – de zgn. standstill-periode – en de sanctie der onverbindendheid.
2.1. Invoering van een opschortende minimumtermijn
Nieuw artikel 2 bis Richtlijn 89/665/EEG; nieuw artikel 2 bis Richtlijn 92/13/EEG
Het sluiten van de overeenkomst volgende op het besluit tot gunning van een onder het regime van Richtlijn 2004/17/EG of 2004/18/EG vallende opdracht kan niet geschieden vóór het verstrijken van een termijn van ten minste 10 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop het besluit tot gunning van de opdracht per faxbericht of langs elektronische weg aan de betrokken inschrijvers en betrokken gegadigden is gezonden. Indien andere communicatiemiddelen worden gebruikt, kan het sluiten van de overeenkomst niet geschieden vóór het verstrijken van een termijn van
of,
2.2. Uitzondering op de toepassing van de standstill
Nieuw artikel 2 ter Richtlijn 89/665/EEG; nieuw artikel 2 ter Richtlijn 92/13/EEG
De lidstaten mogen bepalen dat de opschortende minimumtermijn in de volgende gevallen niet van toepassing is:
2.3. Termijnen voor instellen van beroep
Nieuw artikel 2 quater Richtlijn 89/665/EEG; nieuw artikel 2 quater Richtlijn 92/13/EEG
Voor het instellen van beroepen tegen een besluit van een aanbestedende overheid dienen volgende minimumtermijnen te worden geëerbiedigd: – ten minste 10 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop het besluit van de aanbestedende dienst per faxbericht of langs elektronische weg aan de inschrijver of gegadigde is gezonden of, – indien van andere communicatiemiddelen gebruik wordt gemaakt,
2.4. Onverbindendheid
Nieuw artikel 2 quinquies Richtlijn 89/665/EEG; nieuw artikel 2 quinquies Richtlijn 92/13/EEG
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat een overeenkomst door een beroepsinstantie, die onafhankelijk is van de aanbestedende dienst, onverbindend wordt verklaard:
In dat laatste geval moet worden voorzien in de toepassing van alternatieve sancties. De lidstaten kunnen bepalen dat de van de aanbestedende dienst onafhankelijke beroepsinstantie kan besluiten een overeenkomst niet onverbindend te verklaren, ook al is die overeenkomst onwettig gegund, indien de beroepsinstantie van mening is, nadat zij alle relevante aspecten heeft onderzocht, dat dwingende redenen van algemeen belang het noodzakelijk maken dat de overeenkomst verbindend blijft. In dat geval moeten de lidstaten voorzien in de toepassing van alternatieve sancties. Economische belangen mogen alleen als dwingende redenen worden beschouwd indien onverbindendheid in uitzonderlijke omstandigheden onevenredig grote gevolgen zou hebben. Economische belangen die rechtstreeks verband houden met de betrokken overeenkomst – zoals bijvoorbeeld de kosten die voortvloeien uit vertraging bij de uitvoering van de overeenkomst, de kosten van een nieuwe aanbestedingsprocedure, de kosten die veroorzaakt worden door het feit dat een andere onderneming de overeenkomst uitvoert of nog, de kosten van de juridische verplichtingen die voortvloeien uit de onverbindendheid – zijn geen dwingende redenen van algemeen belang.
2.5. Alternatieve sancties
Nieuw artikel 2 sexies Richtlijn 89/665/EEG; nieuw artikel 2 sexies Richtlijn 92/13/EEG
Indien een overeenkomst die onwettig werd gegund, niet onverbindend werd verklaard omdat de beroepsinstantie van mening was dat dwingende redenen van algemeen belang het noodzakelijk maken dat de overeenkomst verbindend blijft, moeten alternatieve sancties worden opgelegd. Alternatieve sancties moeten eveneens worden opgelegd indien de nationale wetgeving de werking van de nietigverklaring beperkt tot de verbintenissen die nog moeten uitgevoerd worden. Die alternatieve sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Alternatieve sancties zijn het opleggen van boetes aan de aanbestedende dienst, of het verkorten van de looptijd van de overeenkomst. De lidstaten kunnen de beroepsinstantie een ruime beslissingsbevoegdheid geven om alle relevante factoren in aanmerking te nemen, waaronder de ernst van de inbreuk, het gedrag van de aanbestedende dienst en de mate waarin de overeenkomst van kracht blijft. Het toekennen van schadevergoeding wordt niet als een passende sanctie aanvaard.
2.6. Termijn voor het instellen van een beroep tot onverbindendverklaring
Nieuw artikel 2 septies Richtlijn 89/665/EEG; nieuw artikel 2 septies Richtlijn 92/13/EEG
Het beroep tot onverbindendverklaring moet worden ingesteld:
- de aanbestedende overheid de aankondiging van de gegunde opdracht bekendmaakte, op voorwaarde dat deze aankondiging ook de rechtvaardiging bevat van de beslissing van de aanbestedende dienst om de opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking in het Europees Publicatieblad; of - de aanbestedende overheid de betrokken inschrijvers en gegadigden in kennis stelde van de sluiting van de overeenkomst, op voorwaarde dat die kennisgeving vergezeld gaat van een samenvattende beschrijving van de relevante redenen;
2.7. Correctiemechanisme
Nieuw artikel 3, eerste lid, Richtlijn 89/665/EEG; nieuw artikel 8, eerste lid, Richtlijn 92/13/EEG.
Het in artikel 3 van richtlijn 89/665/EEG en artikel 8 van richtlijn 92/13/EEG voorgeschreven correctiemechanisme dat de Europese Commissie in staat stelt vóór de sluiting van een overeenkomst op te treden wanneer zij van oordeel is dat er een duidelijke en kennelijke schending heeft plaatsgevonden van de overheidsopdrachtenrichtlijnen, wordt beperkt tot gevallen van ernstige inbreuken op deze communautaire wetgeving.
2.8. Verificatieregeling
De in artikelen (oud) 3 tot 7 van Richtlijn 92/13/EEG neergelegde vrijwillige verificatieregeling, waarmee de aanbestedende diensten door middel van regelmatige controles de conformiteit van hun aanbestedingsprocedures kunnen laten vaststellen, blijkt vrijwel niet te worden gebruikt en wordt om die reden geschrapt.
2.9. Bemiddelingsmechanisme
Ook het in artikelen (oud) 9 tot 11 van Richtlijn 92/13/EEG neergelegde bemiddelingsmechanisme wordt geschrapt omdat het niet op werkelijke belangstelling van de ondernemers heeft kunnen rekenen. De lidstaten dienen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 20 december 2009 aan richtlijn 2007/665/EG te voldoen. Uiterlijk tegen 20 december 2009 zullen belangrijke wijzigingen moeten worden ingevoerd in de op dat ogenblik geldende Belgische rechtsbeschermingsregeling inzake overheidsopdrachten, of het nu deze is voorzien in artikel 21bis Overheidsopdrachtenwet 1993 dan wel deze neergelegd in de – op heden nog niet van toepassing zijnde – Wet van 16 juni 2006 betreffende de gunning, informatie aan kandidaten en inschrijvers en wachttermijn inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten om de Belgische regelgeving in overeenstemming te brengen met de talrijke nieuwigheden en verfijningen die door Richtlijn 2007/66/EG in de rechtsbeschermingsrichtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG zijn ingevoerd.
Vindplaats: B.S. 28 maart 2007
Indien de bevoegde overheid beslist de opdracht te gunnen, dient deze bij openbare of beperkte aanbesteding toegewezen te worden aan de inschrijver die de laagste regelmatige offerte heeft ingediend, op straffe van een forfaitaire schadeloosstelling vastgesteld op 10% van het bedrag van deze offerte, exclusief BTW (artikel 15, eerste lid, Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993). Door artikel 396 van de programmawet van 22 december 2003 (B.S. 31 december 2003, blz. 62240-62241) werd artikel 15, eerste lid als volgt aangevuld:
“Deze forfaitaire schadevergoeding wordt aangevuld met een schadeloosstelling met het oog op het volledig herstel van de schade,
wanneer deze voortvloeit uit een daad van corruptie in de zin van artikel 2 van het Burgerlijk Verdrag inzake corruptie,
gedaan te Straatsburg op 4 november 2004”.
Artikel 397 van voormelde programmawet bepaalt dat artikel 396 in werking zal treden de dag van inwerkingtreding voor België van voormeld Burgerlijk Verdrag. Het Burgerlijk Verdrag inzake corruptie werd inmiddels geratificeerd door de Wet van 15 februari 2007 (B.S. 28 maart 2007) en is in werking getreden op 7 april 2007. Op dat ogenblik is ook de bijkomende sanctie die door artikel 396 van de programmawet van 22 december 2003 werd ingevoegd in artikel 15 Overheidsopdrachtenwet 1993 in werking getreden.
Het Koninklijk Besluit van 27 december 2007 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944
betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (Nieuwe regelgeving inzake de registratie van aannemers)
Vindplaats: B.S. 31 december 2007 (vierde editie), pp. 66272-66290.
Ten gevolge van het arrest van het Hof van Justitie van Europese Gemeenschappen van 9 november 2006 hebben de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, welke artikelen betrekking hebben op de registratie van aannemers, belangrijke wijzigingen ondergaan via de programmawet van 27 april 2007.( ) Artikel 30bis van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders vervangen, zoals vervangen door de Programmawet van 27 april 2007, werd overigens opnieuw gewijzigd door de Wet van 27 december 2007 (B.S. 31 december 2007, vierde editie). Het Koninklijk Besluit van 27 december 2007 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verscheen in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2007 (vierde editie). De belangrijkste nieuwigheden ingevoerd door de programmawet van 27 april 2007 en het Koninklijk Besluit van 27 december 2007, zijn de volgende:
Vindplaats: B.S. 20 december 2007, pp. 63363-63364.
Met drie ministeriële besluiten, allen van 17 december 2007 en gepubliceerd in het B.S. van 20 december 2007 worden – in navolging van verordening (EG) nr. 1422/2007 van de Europese Commissie ( ) – de Europese drempelbedragen, opgenomen in het koninklijk besluit van 8 januari 1996, in het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en in het koninklijk besluit van 18 juni 1996, vanaf 1 januari 2008 als volgt aangepast:
1. Koninklijk Besluit van 8 januari 1996
2. Koninklijk Besluit van 10 januari 1996
3. Koninklijk Besluit van 18 juni 1996
F.O.D. Kanselarij van de Eerste Minister – 18 december 2007. – Omzendbrief. – Overheidsopdrachten. – Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen. – Veiligheids-
en gezondheidsplan. – Praktische richtlijnen met betrekking tot de documenten die in toepassing van artikel 30, tweede lid, van het koninklijk besluit
van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bij de offerte moeten worden gevoegd (B.S. 27 december 2007, pp. 65589-65593)
Vindplaats: B.S. 27 december 2007, pp. 65589-65593
Ministère de la Région Wallone - 10 mai 2007. - Circulaire relative à la simplification et à la transparence des marchés publics
Vindplaats: B.S. 28 november 2007, pp. 59174-59187
Cette circulaire reprend les recommandations formulées par la Commission wallonne des marchées publics afin de rencontrer les objectifs du Gouvernement wallon dans les domaines suivants :
Hof van Justitie
Hof van Justitie, arrest van 13 december 2007, zaak C 337/06, Bayerischer Rundfunk e.a. – Richtlijnen 92/50/EEG en 2004/18/EG
– Overheidsopdrachten voor dienstverlening – Publiekrechtelijke omroeporganisaties – Aanbestedende diensten – Publiekrechtelijke instellingen –
Vereiste dat activiteit van omroep ‘in hoofdzaak door Staat wordt gefinancierd’
Vindplaats: http://www.curia.europa.eu
Een financiering die stoelt op een handeling van de Staat, door de Staat wordt gewaarborgd en wordt verzekerd door een wijze van heffing en inning waaraan bevoegdheden van openbaar gezag te pas komen, voldoet aan de voorwaarde van „door de staat gefinancierd”, in de zin van de regels van gemeenschapsrecht op het gebied van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten. Deze indirecte financieringswijze volstaat om te voldoen aan het gemeenschapsrechtelijke vereiste „door de Staat gefinancierd”, zonder dat daartoe noodzakelijk is dat de staat zelf een publiek of privaatrechtelijk lichaam opricht of aanduidt om de bijdrage te innen. Dergelijke indirecte financiering van activiteiten van publiekrechtelijke omroeporganisaties vereist m.b.t. de voorwaarde „door de staat gefinancierd” geen rechtstreekse tussenkomst van de staat of van andere overheden bij de plaatsing van een opdracht als die in het hoofdgeding door dergelijke instellingen. Volgens artikel 1, sub a iv, van richtlijn 92/50 is deze richtlijn niet van toepassing op overheidsopdrachten die diensten met betrekking tot de eigenlijke taak van televisie-omroeporganisaties betreffen, te weten de ontwikkeling en de productie van programma’s. Aangezien deze bepaling een uitzondering vormt op het hoofddoel van de gemeenschapsrechtelijke regels betreffende de plaatsing van overheidsopdrachten, te weten het vrije verkeer van diensten en de openstelling voor een zo groot mogelijke mededinging, moet zij beperkend worden uitgelegd. Derhalve zijn enkel de overheidsopdrachten voor de in artikel 1, sub a iv, van deze richtlijn vermelde diensten uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 92/50. Overheidsopdrachten voor diensten die niet in verband staan met activiteiten die betrekking hebben op de vervulling van de eigenlijke opdracht van de publiekrechtelijke omroeporganisaties tot het verlenen van een openbare dienst, zijn daarentegen volledig onderworpen aan de gemeenschapsrechtelijke regels.
Hof van Justitie, arrest van 18 december 2007, zaak C 532/03, Europese Commissie t./ Ierland – Overheidsopdrachten – Artikelen 43 EG en 49 EG – Ambulancediensten voor spoedhulp
Vindplaats: http://www.curia.europa.eu
Noch uit de argumenten van de Europese Commissie noch uit de overgelegde processtukken blijkt dat een overheidsopdracht is geplaatst, daar niet kan worden uitgesloten dat de betrokken overheid ambulancediensten voor spoedhulp verricht op grond van zijn eigen, rechtstreeks aan de wet ontleende bevoegdheden. Voorts betekent het loutere bestaan, tussen twee overheidsinstanties, van een financieringsregeling voor dergelijke diensten niet dat de betrokken dienst-verrichtingen een plaatsing van een overheidsopdracht vormen die aan de fundamentele verdragsregels moet worden getoetst.
Hof van Justitie, arrest van 18 december 2007, zaak C 220/06, Asociación Profesional – Overheidsopdrachten – Liberalisering van postdiensten –
Richtlijnen 92/50/EEG en 97/67/EG – Artikelen 43 EG, 49 EG en 86 EG – Nationale regeling op grond waarvan overheidsinstanties buiten
regels inzake overheidsopdrachten om met openbare onderneming, leverancier van universele postdiensten in betrokken lidstaat,
overeenkomsten mogen sluiten over verrichting van zowel voorbehouden als niet voorbehouden postdiensten
Vindplaats: http://www.curia.europa.eu
Richtlijn 92/50 moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan overheidsinstanties, buiten de regels inzake de plaatsing van overheidsopdrachten om, de verrichting van niet voorbehouden postdiensten in de zin van richtlijn 97/67 mogen toevertrouwen aan een openbare naamloze vennootschap waarvan het kapitaal geheel in overheidshanden is en die in die Staat de leverancier van de universele postdienst is, voor zover de overeenkomsten waarop deze regeling van toepassing is
en
Hof van Justitie, arrest van 18 december 2007, zaak C 357/06, Frigerio Luigi – Overheidsopdrachten – Richtlijn 92/50/EEG – Overheidsopdrachten
voor dienstverlening – Nationale wettelijke regeling op grond waarvan lokale openbare diensten van economisch belang enkel kunnen
worden gegund aan kapitaalvennootschappen – Verenigbaarheid
Vindplaats: http://www.curia.europa.eu
Artikel 26, leden 1 en 2, van de richtlijn 92/50 verzet zich tegen nationale bepalingen die gegadigden of inschrijvers die krachtens de wetgeving van de betrokken lidstaat gerechtigd zijn de betrokken dienst te verlenen, combinaties of consortiums van dienstverleners daaronder begrepen, beletten offertes in te dienen in een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht voor dienstverlening waarvan de waarde de toepassingsdrempel van richtlijn 92/50 overschrijdt, louter op grond dat deze gegadigden of inschrijvers niet de rechtsvorm hebben die overeenkomt met een bepaalde categorie van rechtspersonen, namelijk kapitaalvennootschappen. Het staat aan de nationale rechter een bepaling van nationaal recht met volledige gebruikmaking van de hem door het nationale recht toegekende beoordelingsvrijheid in overeenstemming met de eisen van het gemeenschapsrecht uit te leggen en toe te passen en, voor zover een dergelijke conforme uitlegging onmogelijk is, elke bepaling van nationaal recht die in strijd is met deze eisen, buiten toepassing te laten.
Hof van Justitie, arrest van 24 januari 2008, zaak C 532/06, Consortium Lianakis – Overheidsopdrachten – Richtlijn 92/50/EEG
– Overheidsopdrachten voor dienstverlening – Uitvoering van onderzoek over kadasteropname, stedelijke vormgeving en uitvoeringsmaatregelen voor woongebied
– Criteria die in aanmerking kunnen worden genomen als ‘criteria voor kwalitatieve selectie’ of als ‘gunningscriteria’ –
Economisch voordeligste aanbieding – Inachtneming van in bestek of in aankondiging van opdracht opgenomen criteria –
Vaststelling achteraf van wegingscoëfficiënten en van subcriteria voor gunningscriteria –
Beginsel van gelijke behandeling van marktdeelnemers en transparantieverplichting
Vindplaats: http://www.curia.europa.eu
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50 zich ertegen verzet dat een aanbestedende dienst in het kader van een aanbestedingsprocedure achteraf wegingscoëfficiënten en subcriteria voor de in het bestek of in de aankondiging van de opdracht vermelde gunningscriteria vaststelt. De Commissie van de Europese Gemeenschappen betoogt in haar schriftelijke opmerkingen dat, alvorens de gestelde vraag te beantwoorden, moet worden onderzocht of richtlijn 92/50 zich ertegen verzet dat de aanbestedende dienst in het kader van een aanbestedingsprocedure de ervaring van de inschrijvers, hun personeelsbezetting en hun uitrusting, alsook de vraag of zij de opdracht op het vastgestelde tijdstip kunnen uitvoeren, niet als „criteria voor de kwalitatieve selectie” maar als „gunningscriteria” in aanmerking neemt. In dit verband moet worden vastgesteld dat de omstandigheid dat de verwijzende rechter zijn vraag formeel heeft beperkt tot de uitlegging van artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50 vanuit het oogpunt van een eventuele latere wijziging van de gunningscriteria, het Hof niet belet om hem alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de voor hem dienende zaak, ongeacht of deze rechter er in zijn vraag melding van maakt […]. Derhalve dient allereerst te worden onderzocht of de als „gunningscriteria” gehanteerde criteria toelaatbaar waren en vervolgens of achteraf wegingscoëfficiënten en subcriteria voor de in de aankondiging van opdracht vermelde gunningscriteria mochten worden vastgesteld. De criteria die als „gunningscriteria” mogen worden gehanteerd (artikelen 23 en 36, lid 1, van richtlijn 92/50) Dienaangaande zij eraan herinnerd dat richtlijn 92/50 in artikel 23, lid 1, ervan bepaalt dat de gunning, met inachtneming van artikel 24, geschiedt op de grondslag van de in de artikelen 36 en 37 van deze richtlijn vervatte criteria, nadat de geschiktheid van de dienstverleners die niet uit hoofde van artikel 29 zijn uitgesloten, door de aanbestedende diensten is nagegaan overeenkomstig de in de artikelen 31 en 32 vermelde criteria. Volgens de rechtspraak sluit richtlijn 92/50 in theorie weliswaar niet uit dat het onderzoek naar de geschiktheid van de inschrijvers en de gunning van de opdracht gelijktijdig plaatsvinden, maar zijn deze twee verrichtingen afzonderlijke verrichtingen, waarvoor verschillende regels gelden […]. De geschiktheid van de inschrijvers wordt door de aanbestedende diensten immers onderzocht overeenkomstig de in de artikelen 31 en 32 van deze richtlijn vermelde criteria betreffende economische en financiële draagkracht en technische bekwaamheid (de zogenoemde „criteria voor kwalitatieve selectie”) […]. De gunning van de opdracht geschiedt daarentegen op basis van de criteria die in artikel 36, lid 1, van diezelfde richtlijn zijn neergelegd, te weten hetzij de laagste prijs, hetzij de economisch voordeligste aanbieding […]. Met betrekking tot dit laatste geval zijn de criteria die door de aanbestedende diensten in aanmerking kunnen worden genomen weliswaar niet limitatief opgesomd in artikel 36, lid 1, van richtlijn 92/50 en kunnen de aanbestedende diensten volgens deze bepaling dus kiezen welke gunningscriteria zij willen toepassen, maar die keuze kan enkel betrekking hebben op criteria ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding […]. Derhalve zijn uitgesloten als „gunningscriteria” criteria die er niet toe strekken om de economisch voordeligste aanbieding vast te stellen, maar die in wezen verband houden met de beoordeling van de geschiktheid van de inschrijvers om de betrokken opdracht uit te voeren. In het hoofdgeding hebben de door de aanbestedende dienst als „gunningscriteria” gehanteerde criteria evenwel in hoofdzaak betrekking op de ervaring, de kwalificaties en de middelen ter waarborging van de goede uitvoering van de betrokken opdracht. Het betreft hier criteria die verband houden met de geschiktheid van de inschrijvers om deze opdracht uit te voeren en dus geen „gunningscriteria” in de zin van artikel 36, lid 1, van richtlijn 92/50 zijn. Vastgesteld moet dus worden dat de artikelen 23, lid 1, 32 en 36, lid 1, van richtlijn 92/50 zich ertegen verzetten dat de aanbestedende dienst in het kader van een aanbestedingsprocedure de ervaring van de inschrijvers, hun personeelsbezetting en hun uitrusting alsook de vraag of zij de opdracht op het vastgestelde tijdstip kunnen uitvoeren, niet als „criteria voor kwalitatieve selectie” maar als „gunningscriteria” in aanmerking neemt. De vaststelling achteraf van wegingscoëfficiënten en subcriteria voor de in het bestek of in de aankondiging van opdracht vermelde gunningscriteria In dit verband zij eraan herinnerd dat de aanbestedende diensten krachtens artikel 3, lid 2, van richtlijn 92/50 ervoor moeten zorgen dat tussen verschillende dienstverleners niet wordt gediscrimineerd. Het hiermee bevestigde beginsel van gelijke behandeling impliceert eveneens een transparantieverplichting […]. Bovendien bepaalt artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50 dat, indien de opdracht moet worden gegund aan de inschrijver met de economisch voordeligste aanbieding, de aanbestedende dienst in het bestek of in de aankondiging van de opdracht de gunningscriteria moet vermelden die zij voornemens is te hanteren, zo mogelijk in afnemende volgorde van het belang dat eraan wordt gehecht. Volgens de rechtspraak verlangt deze laatste bepaling, gelezen tegen de achtergrond van het in artikel 3, lid 2, van richtlijn 92/50 neergelegde beginsel van gelijke behandeling van de marktdeelnemers en van de transparantieverplichting die eruit voortvloeit, dat alle elementen die door de aanbestedende dienst in aanmerking worden genomen ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding, alsook het relatieve gewicht van deze criteria, bij de potentiële inschrijvers bekend zijn wanneer deze hun offertes voorbereiden […]. De potentiële inschrijvers moeten bij de voorbereiding van hun offertes immers kennis kunnen nemen van het bestaan en de strekking van deze elementen […]. Derhalve kan een aanbestedende dienst geen afwegingsregels of subcriteria voor de gunningscriteria toepassen die hij niet vooraf ter kennis van de inschrijvers heeft gebracht […]. Deze uitlegging wordt bevestigd door het doel van richtlijn 92/50, die ertoe strekt belemmeringen voor het vrije verkeer van diensten op te heffen en dus de belangen te beschermen van in een lidstaat gevestigde marktdeelnemers die diensten aan in een andere lidstaat gevestigde aanbestedende diensten wensen aan te bieden […]. Daartoe moeten de inschrijvers zich gedurende de volledige procedure in een positie van gelijkheid bevinden, hetgeen impliceert dat de criteria en de voorwaarden die voor elke opdracht gelden, door de aanbestedende diensten passend moeten worden bekendgemaakt […]. In tegenstelling tot de door de verwijzende rechterlijke instantie geuite twijfels zijn deze vaststellingen overigens niet onverenigbaar met de uitlegging die het Hof aan artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50 heeft gegeven in voornoemd arrest ATI EAC e Viaggi di Maio e.a. In de zaak die aanleiding tot dat arrest heeft gegeven, waren zowel de gunningscriteria en hun wegingscoëfficiënten als de subcriteria voor deze gunningscriteria immers vooraf vastgesteld en in het bestek bekendgemaakt. De betrokken aanbestedende dienst had echter achteraf, kort vóór de opening van de enveloppen, de wegingscoëfficiënten voor de subcriteria vastgesteld. Het Hof heeft in dat arrest geoordeeld dat artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50 zich niet tegen een dergelijke werkwijze verzet indien drie zeer nauwkeurige voorwaarden zijn vervuld, te weten mits zij:
Gelet op het voorgaande dient de gestelde vraag aldus te worden beantwoord dat artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50, gelezen tegen de achtergrond van het beginsel van gelijke behandeling van de marktdeelnemers en van de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, zich ertegen verzet dat de aanbestedende dienst in het kader van een aanbestedingsprocedure achteraf wegingscoëfficiënten en subcriteria voor de in het bestek of in de aankondiging van de opdracht vermelde gunningscriteria vaststelt.”
Hof van Justitie, arrest van 10 januari 2008, zaak C 70/06, Europese Commissie t./ Portugal – Overheidsopdrachten – Niet-nakoming –
Arrest van Hof waarbij niet-nakoming is vastgesteld – Niet-uitvoering – Geldelijke sanctie
Vindplaats: http://www.curia.europa.eu
Aangezien het Hof heeft vastgesteld dat de Portugese Republiek zijn arrest Commissie/Portugal niet is nagekomen, kan het deze lidstaat krachtens artikel 228, lid 2, derde alinea, EG de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het aan het Hof is om per geval aan de hand van de omstandigheden van de zaak te beoordelen welke geldelijke sancties moeten worden opgelegd […]. […] Het Hof heeft tevens gepreciseerd dat de veroordeling tot betaling van een dwangsom en/of een forfaitaire som tot doel heeft economische druk uit te oefenen op een lidstaat die in gebreke is gebleven met de uitvoering van een niet-nakomingsarrest, om hem ertoe te brengen een einde te maken aan de geconstateerde niet-nakoming. De opgelegde geldelijke sancties moeten dus worden vastgesteld naargelang van de mate van overreding die nodig is om de betrokken lidstaat tot ander gedrag te brengen […]. In casu moet worden vastgesteld dat de gemachtigde van de Portugese Republiek ter terechtzitting van het Hof van 5 juli 2007 heeft bevestigd dat wetsdecreet nr. 48 051 op die datum nog van kracht was. Daar ervan moet worden uitgegaan dat de betrokken niet-nakoming voortduurde op de datum waarop het Hof de feiten heeft onderzocht, moet worden vastgesteld dat, zoals de Commissie heeft voorgesteld, de veroordeling van de Portugese Republiek tot betaling van een dwangsom een passend middel is om die lidstaat ertoe te brengen de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest Commissie/Portugal […]. Wat vervolgens de modaliteiten voor de berekening van het bedrag van een dergelijke dwangsom betreft, is het aan het Hof, in de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid, om deze dwangsom aldus vast te stellen dat zij enerzijds in overeenstemming is met de omstandigheden en anderzijds evenredig is aan de vastgestelde inbreuk en aan de draagkracht van de betrokken lidstaat […]. Vanuit dit oogpunt zijn de basiscriteria die moeten worden gehanteerd om te verzekeren dat de dwangsom een dwingend karakter heeft met het oog op de eenvormige en effectieve toepassing van het gemeenschapsrecht, in beginsel de duur van de inbreuk, de ernst ervan en de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat. Bij de toepassing van deze criteria dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met de gevolgen van het niet-uitvoeren van het arrest voor de particuliere en de publieke belangen en met de spoed waarmee de betrokken lidstaat ertoe moet worden aangezet, zijn verplichtingen na te komen […]. Wat in de eerste plaats de ernst van de inbreuk betreft en in het bijzonder de gevolgen van het niet-uitvoeren van het arrest Commissie/Portugal voor de particuliere en de publieke belangen, zij eraan herinnerd dat volgens de derde overweging van de considerans van richtlijn 89/665 de openstelling van aanbestedingen voor mededinging uit de gehele Gemeenschap een aanzienlijke uitbreiding van de garanties inzake doorzichtigheid en non-discriminatie vereist. Wil deze openstelling tot concrete resultaten leiden, dan moeten er doeltreffende en snelle beroepsprocedures bestaan in geval van schending van het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of van de nationale voorschriften waarin dit recht is omgezet. Daartoe verplicht artikel 1, lid 1, van deze richtlijn de lidstaten ertoe te waarborgen dat tegen onwettige besluiten van de aanbestedende diensten doeltreffend en zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld, terwijl artikel 2, lid 1, sub c, ervan benadrukt dat het van belang is te voorzien in nationale procedures op grond waarvan schadevergoeding kan worden toegekend aan hen die gelaedeerd zijn door een dergelijke schending. Dat de Portugese Republiek heeft verzuimd wetsdecreet nr. 48 051 in te trekken, dat voor de toekenning van schadevergoeding aan particulieren vereist dat het bewijs wordt geleverd van aan de Portugese Staat of aan de betrokken overheidsorganen toe te rekenen schuld of opzet, moet worden aangemerkt als ernstig, omdat dit een beroep in rechte door particulieren weliswaar niet onmogelijk maakt, maar ertoe leidt dat, zoals tevens de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie heeft opgemerkt, deze juridische stappen lastiger en kostbaarder worden, en op die manier afbreuk doet aan de volle werking van het communautaire beleid inzake overheidsopdrachten. Niettemin moet worden vastgesteld dat de door de Commissie voorgestelde coëfficiënt 11 (op een gegradueerde schaal van 1 tot 20) in casu te streng lijkt; een coëfficiënt 4 daarentegen geeft de ernst van de betrokken inbreuk passender weer. Wat in de tweede plaats de coëfficiënt voor de duur van de inbreuk betreft, kan het voorstel van de Commissie tot vaststelling van deze coëfficiënt op 1 niet worden aanvaard. Uit het dossier blijkt namelijk dat deze coëfficiënt is berekend op basis van de tijd die is verstreken tussen de datum van uitspraak van het arrest Commissie/Portugal en die waarop het onderhavige beroep is ingesteld. De duur van de inbreuk moet echter worden beoordeeld rekening houdend met het tijdstip waarop het Hof de feiten beoordeelt, en niet met het tijdstip waarop de Commissie de zaak bij het Hof aanhangig maakt […]. In casu komt de Portugese Republiek reeds meer dan drie jaar lang haar verplichting niet na tot uitvoering van het arrest Commissie/Portugal, gelet op de aanzienlijke tijd die is verstreken sinds 14 oktober 2004, de dag waarop dat arrest is uitgesproken. In deze omstandigheden lijkt een coëfficiënt 2 (op een gegradueerde schaal van 1 tot 3) passender om de duur van de inbreuk tot uitdrukking te laten komen. In de derde plaats is het voorstel van de Commissie om een basisbedrag te vermenigvuldigen met een coëfficiënt die is gebaseerd op het bruto binnenlands product van de betrokken lidstaat en op het aantal stemmen waarover deze in de Raad beschikt, in beginsel een passende manier om de draagkracht van deze lidstaat tot uitdrukking te brengen en tegelijk een redelijke differentiatie tussen de verschillende lidstaten te bereiken […]. De door de Commissie voorgestelde coëfficiënt 3,9 geeft in casu echter niet adequaat de ontwikkeling weer van de factoren die de basis vormen voor de beoordeling van de draagkracht van de Portugese Republiek, in het bijzonder niet wat de groei van haar bruto binnenlands product betreft. Deze coëfficiënt moet derhalve, zoals overigens volgt uit punt 18.1 van de mededeling van 2005, worden verhoogd van 3,9 naar 4,04. Evenzo moet het basisbedrag waarop de vermenigvuldigingscoëfficiënten worden toegepast, worden vastgesteld op 600 EUR, overeenkomstig de door de Commissie in punt 15 van deze mededeling doorgevoerde indexatie van het bedrag van 500 EUR, om rekening te houden met de ontwikkeling van de inflatie sinds de bekendmaking van de mededeling van 1997. Gelet op al het voorgaande resulteert de vermenigvuldiging van een basisbedrag van 600 EUR met de coëfficiënten 4 voor de ernst van de inbreuk, 2 voor de duur ervan en 4,04 voor de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat, in casu in een bedrag van 19 392 EUR per dag vertraging. Dit bedrag moet als adequaat worden aangemerkt, gelet op het doel van de dwangsom zoals genoemd in punt 35 van dit arrest. Wat de frequentie van de dwangsom betreft, moet in deze zaak, die betrekking heeft op de uitvoering van een arrest van het Hof die een wetswijziging impliceert, worden gekozen voor een dwangsom op dagbasis […]. Ten slotte kunnen de argumenten van de Portugese Republiek inzake de mogelijkheid voor het Hof om in casu te gelasten dat de dwangsom wordt opgeschort in de zin van punt 13.4 van de mededeling van 2005, niet worden aan-vaard. Los van de omstandigheid dat deze mededeling, zoals in herinnering is gebracht in punt 34 van dit arrest, het Hof niet kan binden, kan er namelijk mee worden volstaan op te merken dat de maatregelen ter uitvoering van het arrest Commissie/Portugal hoe dan ook niet zijn genomen, in strijd met hetgeen punt 13.4 vereist opdat tot een dergelijke opschorting kan worden besloten. Uit een en ander volgt dat de Portugese Republiek moet worden veroordeeld om aan de Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Gemeenschap” een dwangsom te betalen van 19 392 EUR per dag vertraging bij het nemen van de maatregelen die nodig zijn om te voldoen aan het arrest Commissie/Portugal, vanaf de datum van uitspraak van het onderhavige arrest tot de uitvoering van dat arrest Commissie/Portugal.”
Hof van Cassatie, arrest van 11 januari 2008 – Overheidsopdrachten – Toepassing artikel 18, § 2 AAV – Vervaltermijn instellen rechtsvordering
Vindplaats: http://www.cass.be
En vertu de l’article 18, § 2, de l’arrêté ministériel du 10 août 1977 [= artikel 18, § 2, AAV] établissant le cahier général des charges des marchés publics de travaux, de fournitures et de services, dans sa version applicable au litige, toute action judiciaire relative à un marché de travaux doit, sous peine de forclusion, être introduite par l’adjudicataire au plus tard un an après la réception provisoire complète de l’ensemble des travaux ; toutefois, toute action judiciaire trouvant son origine dans des faits ou des circonstances survenus pendant la période de garantie, ou relative aux amendes pour retard, devra, sous peine de forclusion, être introduite au plus tard un an après l’expiration de la période de garantie telle qu’elle est prévue à l’article 16, § 4, 2°, du même arrêté. L’arrêt [attaqué par cassation] constate que la défenderesse a formé après la réception provisoire une réclamation relative à « des événements survenus durant l’exécution du marché […] et, dès lors, avant la réception provisoire » et que, cette réclamation ayant été rejetée par l’administration, elle a introduit l’action judiciaire plus d’un an après la réception provisoire mais dans le délai d’un an après l’expiration de la pé-riode de garantie. En tenant, pour rejeter l’exception de forclusion de la demanderesse, la réclamation de la défenderesse portant sur des faits antérieurs à la réception provisoire et son rejet par l’administration pour des faits ou des circonstances survenus pendant la période de garantie, l’arrêt viole l’article 18, § 2, précité. Dans cette mesure, le moyen, en cette branche, est fondé. Par ces motifs, La Cour Casse l’arrêt attaqué […] » LAENEN, G., « Het Asemfo-arrest: eindelijk een lichtpunt in de duisternis?” (noot onder Hof van Justitie, 19 april 2007, zaak C-295/05, ASEMFO), Tijdschrift voor Gemeenterecht 2007, pp. 331-337. VINCART, L., « Les obligations de Conseil, d’exécution, de conception d’information et de prévision : rôles respectifs des intervenants, interférences et coresponsabilité » (noot onder Hof van Beroep te Luik van 11 oktober 2005), deel II, T. Aann. 2007, pp. 295-326. (het eerste deel van dit artikel verscheen in het T. Aann. 2007, pp. 205-224)
Belangrijke juridische kennisgeving - Disclaimer
Hoewel bij de realisatie van deze nieuwsbrief een zo groot mogelijke nauwkeurigheid en correctheid werd nagestreefd, kan voor de aanwezigheid van eventuele (druk)fouten, onvolkomen- en onvolledigheden niet worden ingestaan en aanvaardt EBP hiervoor geen aansprakelijkheid. De gebruiker van deze nieuwsbrief erkent en aanvaardt, door de loutere aanwending van de inhoud ervan, voormelde afwijzing van aansprakelijkheid. |
Ontdek de nieuwe data van onze seminaries voor 2008!
Nieuw! Vanaf 1 januari 2008 zijn wij vrijgesteld van BTW voor onze seminaries!
Ontdek de portaalsite voor overheidsaankopers: www.publicationsonline.be en zijn meerdere fonctionnaliteiten!
![]()
Deze studiedag brengt de in-house contracten en PPS-mogelijkheden voor besturen onder het licht: welke is de geldende regelgeving?
Wat met het gemeentedecreet? Aan de hand van recente praktijkvoorbeelden worden de laatste wijzigingen uiteengezet door onze vier gastsprekers.
Bent u betrokken bij het aankoopproces binnen uw bestuur, dan dient u de wetgeving overheidsopdrachten scrupuleus na te leven.
Als ervaren aankoper weet u dat dit proces niet vrij is van integriteitsrisico's die de reputatie van uw organisatie
ernstig kunnen schaden!
Hoe kan u een evenwicht vinden tussen de operationele behoeftes van uw bestuur aan ICT-benodigdheden en de wet overheidsopdrachten?
Praktijkgericht dagseminarie met al de nuttige tips voor uw ICT-aankoopbeleid.
Het (operationeel) leasen van voertuigen is een wijd verspreidde techniek.
Waarschijnlijk doet u het als bestuur ook of denkt u eraan. Nochtans wijst de praktijk uit dat niet steeds om de juiste redenen deze techniek wordt gehanteerd.
U zit in de sector van de werken en u wordt dagelijks geconfronteerd met de praktische uitvoering van de wetgeving op de overheidsopdrachten.
Deze wetgeving is een opgelegd instrument dat u enerzijds toelaat uw werkendossiers te stroomlijnen volgens dezelfde procedures en regels, maar dat u anderzijds opzadelt met soms in de praktijk moeilijk toepasbare uitvoeringsmodaliteiten.
De nieuwe wet overheidsopdrachten werd op 15 februari in Het Belgisch Staatsblad gepubliceerd!
Wat zal deze nieuwe wet in 2007 in uw dagdagelijks praktijk veranderen?
Wanneer zullen de KB's ter uitvoering van de wet klaar zijn?
Hoe een opdracht tot een goed einde brengen na de toewijzing? Deze opleiding doorloopt de uitvoeringsregels
en legt een accent op de praktische implicaties ervan. Concreet bruikbare bagage om uw opdrachten tot een goed einde te brengen!
U doet aankopen voor uw bestuur of u moet het binnenkort gaan doen ?
EBP reikt u opnieuw een aantal sessies aan van haar basisopleiding "hoe succesvol overheidsopdrachten toewijzen?".
De praktische toepassing van de reglementering overheidsopdrachten op dienstenopdrachten.
Als aankoopprocedure is de onderhandelingsprocedure een godsgeschenk.
Hoe deze procedure in de praktijk correct en tot het maximum van haar capaciteit benutten?
Een goed opgemaakt lastenboek is het noodzakelijke fundament voor een succesvolle opdracht.
Een gebrekkig lastenboek zal de correcte toewijzing en de succesvolle uitvoering van uw overheidsopdrachten hypothekeren!
In functie van uw behoefte kunnen opleiding op maat gemaakt worden.
Stuur ons uw vraag en wij werken een oplossing voor u uit.
Moet u uw opdracht ook Europees bekend maken ?
Dan kan het door u aangemaakte publicatiebericht op het zelfde moment zowel naar het BDA als naar het Europees Publicatieblad (EPS) online doorsturen (eerst EPS dan BDA) ! Dus geen dubbel werk meer, één keer aanmaken, met één druk op de knop direct versturen naar de 2 publicatieorganen !
Zit u nog in de propectiefaze ?
Dankzij de module "marktverkenning" vindt u op publicatiesonline meer dan 4 000 recente voorbeeld lastenboeken van collega's ! Op basis van het voorwerp van de opdracht ontdekt u via een eenvoudige boomstructuur én de volledige publicatie én het bijhorende lastenboek, onmiddellijk en onbeperkt downloadbaar. Zo weet u direct wie van uw collega's gelijkaardige aankopen deden in het nabije verleden en hoe zij hun lastenboek hebben samengesteld.
U zoekt leveranciers in het kader van onderhandelingsprocedures zonder bekendmaking / aankopen op eenvoudige factuur ?
U zoekt meer offertes ?
Via de module "marktbevraging" kan u de elementen (voorwerp, administratieve eisen, technische specificaties, ...) van uw onderhandse vraag oplijsten,
daarna in het systeem die leveranciers aanmaken aan wie u uw vraag wenst te versturen en/of gebruik maken van de reeds bestaande leveranciersdatabank
die eenvoudig toegankelijk is per sector/activiteit.
U bereikt zo bedrijven die hun interesse om voor besturen te werken expliciet hebben aangegeven. Het systeem stuurt uw vraag electronisch rechtstreeks door aan de door u geselecteerde bedrijven. Aan hun om daarna verder direct met u contact op te nemen. Tip : U kan deze module niet enkel voor het opvragen van offertes doch ook voor het opvragen van (technische) documentatie aanwenden !
We hopen dat deze nieuwe functionaliteiten u helpen bij uw aanbestedingspraktijk en zijn benieuwd naar uw reacties !
Met vriendelijke groeten,
Bruno De Mulder,
EBP consultant overheidsopdrachten.
Voor meer info over hoe EBP u kan bijstaan bij het voeren van uw overheidsopdrachten verwijs ik u graag naar www.ebp.be
Zit u met een vraag dan kan u ook vrijblijvend met ons contact opnemen via support@ebp.be of bel ons op het nummer 02-420 68 60. |
| © EBP 2008 l www.ebp.be l Leopold II laan 157, 1080 Brussel l T:02/420.68.60. l info@ebp.be | |