EBP - Tenderletter

Nr. 12 – december 2007

EBP wenst u een vrolijk kerstfeest en gelukkig nieuwjaar!


Inhoudstafel
  • 1. Europese regelgeving
  • 2. Nationale wet- en regelgeving
  • 3. Rechtspraak
  • 3.1. Hof van Justitie
  • 3.2. Grondwettelijk Hof
  • 3.3. Hoven van Beroep
  • 4. Rechtsleer (monografieën, artikelen, rechtsgeleerde noten)
  • 5. Diverse publicaties
1. Europese regelgeving

Richtlijn tot wijziging van de rechtsbeschermingsrichtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG gestemd

Op 15 november 2007 hebben het Europese Parlement en de Raad het voorstel van Richtlijn uitgaande van de Europese Commissie tot wijziging van de rechtsbeschermingsrichtlijnen 89/665/EEG (klassieke sectoren) en 92/13/EEG (nutssectoren), aangenomen. Het voorstel beoogt een verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten o.a. door de invoering van een zgn. “standstill”-periode.

Het is nu wachten op de publicatie van de wijzigende richtlijn in het Europees Publicatieblad.

In een volgende Newsletter wordt nader ingegaan op deze wijzigende richtlijn.

Nieuwe drempelbedragen ingevoerd door de Verordening (EG) nr. 1422/2007 van de Europese Commissie

Per 1 januari 2008 gelden nieuwe Europese drempelbedragen voor 2008-2009. Deze drempelwaarden werden in het Europees Publicatieblad van 5 december 2007 bekend gemaakt (verordening (EG) nr. 1422/2007 van de Europese Commissie). De drempelwaarden werden met ca. drie procent verlaagd.

Hierna volgen de nieuwe drempelbedragen.
Drempelbedragen Klassieke Sectoren:

  Federaal Decentraal
Werken
5.150.000
(i.p.v. 5.278.000)

5.150.000
(i.p.v. 5.278.000)
Leveringen
133.000
(i.p.v. 137.000)

206.000
(i.p.v. 211.000)
Diensten
133.000
(i.p.v. 137.000)

206.000
(i.p.v. 211.000)


Drempelbedragen Nutsectoren:

Werken
5.150.000
(i.p.v. 5.278.000)
Leveringen
412.000
(i.p.v. 422.000)
Diensten
412.000
(i.p.v. 422.000)


2. Nationale wet- en regelgeving

Koninklijk Besluit van 23 november 2007 tot wijziging van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en sommige Koninklijke besluiten tot uitvoering van deze wet

Vindplaats: B.S. 7 december 2007, pp. 60372-60399.

In het Belgisch Staatsblad van 7 december 2007 werd het Koninklijk besluit van 23 november 2007 tot wijziging van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en van sommige koninklijke besluiten tot uitvoering van deze wet gepubliceerd.

Dit Koninklijk Besluit is o.a. het gevolg van een procedure van ingebrekestelling ingesteld door de Europese Commissie omdat het Koninkrijk België de op hem rustende verplichtingen krachtens artikel 80 van de richtlijn 2004/18/EG niet is nagekomen – in casu – door niet (tijdig) de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om in overeenstemming te zijn met voormelde richtlijn. Het Koninklijk besluit van 23 november 2007 voert wijzigingen door in de Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993 en de Koninklijke uitvoeringsbesluiten van 8 en 10 januari 1996 en 18 juni 1996.

De belangrijkste wijzigingen die zijn opgenomen in het Koninklijk Besluit van 23 november 2007 zijn de volgende:
  • Wanneer privaatrechtelijke universitaire instellingen voldoen aan de in artikel 4, § 2, 8°, Overheidsopdrachtenwet bepaalde voorwaarden, worden ze beschouwd als aanbestedende overheden als bedoeld in deze bepaling en dit voor de opdrachten die de bedragen voor de Europese bekendmaking bereiken. Beneden de Europese drempels is de wet van 24 december 1993 enkel van toepassing op de gesubsidieerde opdrachten van deze instellingen.
  • Met betrekking tot de gunning van aanvullende werken aan concessiehouder wordt een gelijkaardige bepaling opgenomen als artikel 17, § 2, 2°, a) Overheidsopdrachtenwet.
  • Hoofdstuk III van Titel IV van Boek I van de Wet dat een aantal bijkomende bepalingen bevat voor overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten die de Europese drempels hebben bereikt, wordt nu ook toepasselijk gemaakt op de opdrachten voor aanneming van werken.
  • De artikelen van de overheidsopdrachtenwet, betreffende de uitzondering voor de opdrachten gegund aan verbonden of gemeenschap¬pelijke ondernemingen, wordt gewijzigd.
  • Er wordt in artikel 48 van de wet een nieuwe definitie ingevoerd voor de bijzondere of uitsluitende rechten.
  • In de wet wordt een artikel 63 bis ingevoegd op basis waarvan, overeenkomstig artikel 9 van richtlijn 2004/17/EG, het stelsel kan worden bepaald dat van toepassing is op overheidsopdracht of een opdracht, wanneer het voorwerp ervan betrekking heeft op meerdere werkzaamheden (bijvoorbeeld klassieke sectoren en nuttssectoren of nutssectoren en niet onderworpen opdrachten).
  • Spraaktelefonie-, telex-, radiotelefonie-, semafoon- en satellietdiensten dienen voortaan in mededinging te worden gesteld
  • In de Koninklijke besluiten van 8 en 10 januari 1996 worden vier nieuwe hypotheses ingevoerd waarin een verplichte uitsluiting van de aannemer, de leverancier of de dienstverlener geldt: deelname aan criminele organisatie, omkoping, fraude en witwassen van geld.
  • De mogelijkheid om in een aantal gevallen de technische of beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers te beoordelen op grond van hun know-how, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid wordt uitgebreid tot opdrachten voor aanneming van werken en leveringen.
  • De voorschriften met betrekking tot de door onafhankelijke instanties opgestelde certificaten dat de dienstverlener aan bepaalde normen inzake kwaliteitsbewaking voldoet, worden uitgebreid tot de opdrachten voor aanneming van werken en van leveringen.
  • Wanneer de aard van de werken of diensten het rechtvaardigt kunnen bij de uitvoering van de opdracht milieubeheermaatregelen of –systemen worden verlangd.
  • In de uitvoeringsbesluiten worden verduidelijkingen aangebracht die de anonimiteit bij prijsvraag voor ontwerpen moeten garanderen.
  • Voor de opdrachten waarvan het geraamd bedrag het bedrag voor de Europese bekendmaking bereikt, worden met betrekking tot de aanwending van technische specificaties en normen nieuwe definities en voorschriften opgenomen.
  • Bij afwijzing van abnormaal lage offertes dient de Europese Commissie hiervan enkel in kennis te worden gesteld indien het abnormaal lage karakter van de offerte voortvloeit uit het feit dat de inschrijver overheidssteun heeft genoten die onrechtmatig is toegekend.
  • Een precisering wordt aangebracht wat betreft de toepassing van artikel 17, § 2, 1°, d, van de overheidsopdrachtenwet. Enkel die inschrijvers die aan de eisen inzake kwalitatieve selectie beantwoorden en een formeel regelmatige offerte hebben ingediend bij de eerste procedure mogen worden geraadpleegd.
  • de verplichting om de gunningscriteria te wegen is nu ook van toepassing in geval van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking wanneer het bedrag voor de Europese bekendmaking wordt bereikt en meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners worden geraadpleegd.


  • Het Koninklijk Besluit van 23 november 2007 treedt in werking op 1 februari 2008. De overheidsopdrachten en de opdrachten gepubliceerd vóór deze datum of waarvoor, bij ontstentenis van een bekendmaking van aankondiging, vóór deze datum uitgenodigd wordt om zich kandidaat te stellen of om een offerte in te dienen, blijven onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op het ogenblik van de aankondiging of van de uitnodiging.

    Rondzendbrief van 31 mei 2007 gericht aan de departementen en agentschappen van de Vlaamse overheid – Bestuurszaken – Rondzendbrief BZ–OVO–07–01 betreffende overheidsopdrachten – Vereenvoudiging van formaliteiten – Techniek van de “impliciete verklaring op erewoord” bij toepassing van de artikelen 17, 43 en 69 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare diensten.

    Vindplaats: B.S. 21 september 2007, p. 49940

    1. Inleiding – Ratio legis van de rondzendbrief

    Met het oog op een vermindering van de administratieve last voor de kandidaten of inschrijvers kan de aanbestedende overheid gebruik maken van de techniek van de impliciete verklaring op erewoord. De hier besproken rondzendbrief van 31 mei 2007 heeft tot doel deze praktijk een wijdere verspreiding te geven en zo de formaliteiten voor de inschrijvers te vereenvoudigen.

    2. Gevallen waarin de kandidaten of inschrijvers voor een overheidsopdracht de toegang tot die opdracht kunnen worden ontzegd

    De artikelen 17 (inzake werken), 43 (inzake leveringen) en 69 (inzake diensten) van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, beschrijven de gevallen waarin de kandidaten of inschrijvers voor een overheidsopdracht de toegang tot die opdracht kunnen worden ontzegd.

    Wanneer de bekendmaking of het bestek het vereisen, moeten de kandidaten of inschrijvers aan de hand van bepaalde documenten aantonen dat zij zich niet in één van die uitsluitingsgevallen bevinden.

    Indien een kandidaat of inschrijver zich in één van de gevallen bevindt (te beoordelen op de uiterste datum van ontvangst van de aanvragen tot deelneming), dan moet hij worden uitgesloten. Dit moet eveneens wanneer hij in de loop van de gunningsprocedure alsnog in dergelijke uitsluitingssituatie terecht komt.

    De aanbestedende overheid is niet verplicht om aan de kandidaat of inschrijver documenten te vragen in verband met alle uitsluitingsgronden, maar kan dit beperken tot de documenten die ze als nuttig of nodig beschouwd.

    3. de techniek van de impliciete verklaring op erewoord

    Met het oog op een vermindering van de administratieve last voor de kandidaten of inschrijvers kan de aanbestedende overheid gebruik maken van de techniek van de impliciete verklaring op erewoord.

    Concreet gebeurt dit door in het bestek volgende clausule op te nemen:

    « Door in te schrijven op deze opdracht verklaart de inschrijver zich niet in een toestand van uitsluiting te bevinden, zoals bedoeld in artikel ... (*) van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken ».

    (*) naar gelang van het geval : art. 17 indien het om werken gaat, art. 43 voor leveringen, en, art. 69 voor diensten.

    Het « modelbestek diensten » van de dienst Overheidsopdrachten (blz. 6) bevat reeds dergelijke bepaling (zie www.vlaanderen.be/overheidsopdrachten).

    De impliciete verklaring op erewoord houdt in dat de kandidaten of inschrijvers door het indienen van een aanvraag tot deelneming (kandidaatstelling) of van een offerte, verklaren dat ze zich niet in één van de uitsluitingsgevallen bevinden.

    Het bijvoegen van een expliciete verklaring is bijgevolg niet meer vereist. Het gebruik van de impliciete verklaring op erewoord moet wel in de bekendmaking of in het bestek worden opgenomen.

    4. Hoe geschiedt in concreto de controle op het vlak van de uitsluitingsgronden?

    De verklaring op erewoord heeft weliswaar niet tot gevolg dat er geen enkele controle op het vlak van de uitsluitingsgronden meer zou gebeuren.

    Geen enkele beslissing inzake selectie of gunning mag worden genomen zonder het noodzakelijke onderzoek van de documenten (faillissement, strafregister, RSZ, fiscus of andere die zijn voorgeschreven) op het aangewezen ogenblik.

    Dat betekent dat :
  • bij open procedures de controle van de begunstigde in spe moet gebeuren aan het einde van de procedure, vóór elke beslissing over de gunning van de opdracht;
  • bij beperkte procedures de controle van de kandidaten (die men wil selecteren) moet gebeuren aan het einde van de selectiefase, vóór elke beslissing over de selectie van de kandidaten.


  • Op die manier is het mogelijk de voorgenomen beslissing nog tijdig bij te sturen, indien de begunstigde in spe of een kandidaat zich in een uitsluitingssituatie blijkt te bevinden.

    Bij open procedures kunnen zich nochtans gevallen voordoen waarin het onderzoek van de uitsluitingsgronden eerder dient te gebeuren:
  • in het geval van abnormaal lage totale offertesommen bij aanbesteding van werken (art. 110, § 4, KB 8 januari 1996) wordt een formule gehanteerd op basis van de offertesommen van de geselecteerde inschrijvers. Een onmiddellijk onderzoek van de persoonlijke toestand van de inschrijvers is dan nodig;
  • bij offerteaanvragen wordt voor het prijscriterium vaak een formule gehanteerd op basis van de totale offertesommen van de geselecteerde inschrijvers. Ook hier moet de persoonlijke toestand van de inschrijvers onmiddellijk onderzocht worden.


  • Tenslotte wijst de rondzendbrief erop dat de aanbestedende overheden de gegevens die in elektronische bestanden beschikbaar zijn, zelf moeten opvragen.

    Op huidig moment kunnen reeds het RSZ-attest, het attest inzake BTW-plicht en de jaarrekeningen via de tool Digiflow worden opgevraagd.

    Rondzendbrief van 14 september 2007 – Rondzendbrief LNE/2007/1 betreffende toepassing wetgeving overheidsopdrachten – “In house”-aanbestedingen – Implicaties van het gelijkheidsbeginsel bij toekennen van overheidsopdrachten

    Vindplaats: B.S. 4 oktober 2007, pp. 52175–52177

    De inhoud van de rondzendbrief – betrekking hebbende op het thema van de “in house”-aanbestedingen enerzijds en de implicaties van het gelijkheidsbeginsel op overheidsopdrachten die niet onderworpen zijn aan de Europese aanbestedingsregels anderzijds – wordt hierna kort uiteengezet.

    1. De principes inzake de gunning van overheidscontracten en van de « in house »-betrekkingen

    Het hoofddoel van de gemeenschapsregels inzake overheidsopdrachten bestaat erin het vrij verkeer van goederen/diensten en de openstelling voor onvervalste mededinging in alle lidstaten te garanderen.

    Op grond van de Europese Richtlijnen 2004/18/EG en 2004/17/EG en de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten is er sprake van een overheidsopdracht indien een aanbestedende overheid met een andere entiteit een contract ten bezwarende titel sluit houdende de uitvoering van werken, leveringen of diensten (in de zin van artikel 5 van de voormelde wet).

    De regels inzake overheidsopdrachten zijn ook van toepassing op opdrachten die worden toegekend aan andere, aanbestedende overheden. De aanbestedende overheid kan in beginsel dus niet zonder voorafgaandelijke marktbevraging contracteren met andere aanbestedende overheden met het oog op uitvoering van werken, leveringen of diensten.

    De wetgeving betreffende de overheidsopdrachten betreft evenwel enkel de gevallen waarin ervoor wordt gekozen om bepaalde handelingen bij overeenkomst aan derden op te dragen. De aanbestedende overheid kan met andere woorden wel - zonder voorafgaandelijke marktbevraging - beslissen om een opdracht zelf met eigen middelen en personeel, « in regie », te vervullen. Er is dan immers geen sprake van een opdrachtverlening aan een af-zonderlijke rechtspersoon.

    In het verlengde van deze uitzondering voor de uitvoering in regie, aanvaardt het Hof van Justitie dat de overheidsopdrachtenreglementering niet speelt ten aanzien van bepaalde vormen van verzelfstandiging. Onder de voorwaarden van het inmiddels welgekende Teckal-arrest van het Hof van Justitie, is een overheid inderdaad niet verplicht om de wetgeving overheidsopdrachten toe te passen wanneer zij bepaalde taken om budgettaire en beheerskundige redenen toevertrouwt aan een afzonderlijke entiteit.

    Alvorens tot die niet-toepasselijkheid te kunnen besluiten, zal - overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie - evenwel aan twee belangrijke voorwaarden moeten zijn voldaan. Het Hof van Justitie aanvaardt immers enkel dat een dergelijke samenwerking vanuit het perspectief van het overheidsopdrachtenrecht niet als overeenkomst met een derde moet worden beschouwd, indien een opdracht wordt gegund aan een rechtspersoon :

    i) waarop de aanbestedende overheid een toezicht uitoefent zoals op zijn eigen diensten
    en
    ii) die tegelijkertijd het merendeel van zijn werkzaamheden verricht ten behoeve van het lichaam of de lichamen die hem beheersen.

    Het Hof van Justitie heeft in de loop van de jaren verschillende verduidelijkingen geformuleerd inzake de draagwijdte van die voorwaarden. Hierna worden de belangrijkste krachtlijnen uit de bestaande rechtspraak in herinnering gebracht.

    Beoordeling van het criterium “ Toezicht als op eigen diensten”

    De vraag of sprake is van een toezicht als op eigen diensten moet beoordeeld worden in het licht van alle relevante wettelijke en reglementaire bepalingen en omstandigheden. Centraal bij de beoordeling staat volgens het Hof van Justitie de vraag of de aanbestedende overheid de beslissingen van de rechtspersoon waaraan de opdracht wordt toegewezen (doorslaggevend) kan beïnvloeden en er zijn wil kan aan opdringen.

    Er zal m.a.w. telkens in concreto, in het licht van de wettelijke en statutaire bepalingen, moeten worden nagegaan of de aanbestedende overheid al dan niet de strategische doelstellingen en belangrijke beslissingen van de gebonden onderneming op determinerende wijze kan beïnvloeden.

    Op grond van de bestaande rechtspraak dienen alvast de volgende elementen in rekening te worden gebracht bij de beoordeling van dit eerste criterium :
  • De aanbestedende overheid moet bijzondere controlebevoegdheden kunnen uitoefenen over de andere rechtspersoon, andere dan deze waarover een meerderheidsaandeelhouder beschikt. Het (zelfs 100 %) aandeelhouderschap is op zichzelf geen determinerend criterium.
  • De verhouding tussen een overheidsorgaan en zijn eigen diensten wordt beheerst door specifieke overwegingen en eisen die verband houden met het nastreven van doelstellingen van algemeen belang. Private ondernemingen daarentegen streven doelstellingen van particulier belang na. Om die reden wordt het criterium niet voldaan geacht van zodra een private onderneming deelneemt in de persoon waaraan de opdracht wordt gegund, en dit ongeacht het aandeel van diens participatie.
  • De uitoefening van het toezicht middels een tussenpersoon is een verzwakkend element, zelfs indien deze tussenpersoon een 100 % gecontroleerde dochter betreft
  • Het lijkt in het licht van de bestaande rechtspraak mogelijk dat verschillende aanbestedende overheden een gemeenschappelijke entiteit oprichten, waarop dan dergelijk « toezicht zoals op de eigen diensten » kan bestaan. Verdere jurisprudentie ter zake zal hierover meer duidelijkheid moeten verschaffen.


  • Beoordeling van het criterium “Het merendeel van de activiteiten verrichten ten behoeve van de aanbestedende overheid”

    Deze voorwaarde is volgens het Hof van Justitie ingegeven door de bezorgdheid om de mededinging (en dus de toepassing van de regels inzake overheidsopdrachten) te verzekeren in het geval « een door een of meer overheidslichamen gecontroleerde onderneming op de markt werkzaam is en dus met andere ondernemingen kan concurreren ».

    De invulling van dit tweede criterium is niet steeds eenvoudig, mede bij gebrek aan uitgebreide rechtspraak. Vereist is dat de activiteiten van de betrokken onderneming zich « hoofdzakelijk » toespitsen op de aanbestedende overheid én dat ieder andere activiteit van de onderneming « marginaal » is.

    In de huidige stand van de rechtspraak zal het voor de besturen niet steeds evident zijn om te bepalen onder welke voorwaarden een commerciële activiteit marginaal te noemen is. Vast staat wel dat rekening moet gehouden worden met alle relevante kwalitatieve en kwantitatieve omstandigheden. Daarbij dient het bestuur alle werkzaamheden van de entiteit aan wie zij de opdracht wenst te gunnen, in aanmerking te nemen. Het doet er met name niet toe of het bestuur zelf dan wel bepaalde gebruikers van de diensten genieten. Het is ook niet relevant wie de verrichte diensten vergoedt of op welk grondgebied de werkzaamheden worden uitgevoerd.

    Beoordeling geval per geval

    Of aan de beide criteria van de « in house » gunning is voldaan, dient door de aanbestedende overheid steeds geval per geval te worden beoordeeld. Daarbij dient de overheid in aanmerking te nemen dat iedere uitzondering op de toepasselijkheid van de wetgeving overheidsopdrachten beperkend moet geïnterpreteerd worden, zodat de voorwaarden voor een beroep op de Teckal-uitzondering ook steeds beperkend geïnterpreteerd moeten worden.

    Tot slot is het van belang te weten dat wanneer voor de gunning van een overheidscontract een beroep op de Teckal-uitzondering toegelaten is, de opdracht evenmin onderworpen is aan het transparantie- en gelijkheidsbeginsel en de daaruit afgeleide verplichtingen voor het gunnen van contracten (zie hierna).

    2. De implicaties van de fundamentele regels van het EG-verdrag (en inzonderheid van het gelijkheidsbeginsel) van overheidscontracten vallend buiten het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenreglementering

    De uitsluiting van een bepaalde opdracht uit het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenreglementering houdt niet in dat de aanbestedende overheid het overheidscontract aan gelijk wie kan gunnen of tegen eender welke voorwaarden.

    De gunning van de overheidscontracten dient immers steeds in overeenstemming te zijn met de fundamentele regels van het gemeenschapsrecht, zoals deze inzake het vrij verkeer van goederen en diensten en met de beginselen van non-discriminatie en gelijkheid. Het Hof van Justitie heeft uit deze beginselen een aantal verplichtingen afgeleid die - behoudens ingeval van objectieve rechtvaardiging - ook dienen te worden nageleefd bij de toewijzing van opdrachten waarop de overheidsopdrachtenreglementering niet van toepassing is.

    De Europese Commissie heeft op basis van de rechtspraak van het Hof van Justitie een interpretatieve mededeling uitgebracht « over de Gemeenschapswetgeving die van toepas-sing is op het plaatsen van opdrachten die niet of slechts gedeeltelijk onder de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vallen ».

    Het is in de huidige stand van zaken niet steeds duidelijk op welke contracten deze verplichtingen van toepassing zijn en wat de concrete draagwijdte is van de vereisten die eruit voortvloeien.

    Op grond van de rechtspraak en de interpretatieve mededeling zijn deze vereisten van toepassing op :
  • opdrachten beneden de drempels
  • de zogenaamde B-diensten (zoals opgenomen in bijlage II B van de Richtlijn 2004/18/EG en bijlage XVII B van de Richtlijn 2004/17/EG).
  • Het Hof van Justitie heeft eerder ook reeds concessies van diensten - die zijn uitgesloten uit het toepassingsgebied van de Richtlijnen - beoordeeld vanuit het gelijkheidsbeginsel.


  • Vast staat wel dat verplichtingen die voortvloeien uit het gelijksbeginsel niet gelden indien de aanbestedende overheid beroep doet op haar eigen diensten of op de met haar verbonden rechtspersonen in de zin van de Teckal-doctrine.

    Het gelijkheidsbeginsel en de eruit voortvloeiende verplichtingen dienen vanuit het standpunt van de Europese Gemeenschap strikt te worden nageleefd telkens een opdracht relevant is voor de interne markt.

    Het komt de aanbestedende overheid toe om in ieder concreet geval te oordelen of de opdracht al dan niet verband houdt met de interne markt en de onderdanen van andere lidstaten zou interesseren. In de interpretatieve mededeling wijst de Europese Commissie op de volgende elementen ter beoordeling van de relevantie van de opdracht voor de interne markt : onderwerp en de geschatte waarde van de opdracht, de kenmerken van de sector in kwestie (omvang en structuur van de markt, handelspraktijken enz.) en ook de geografische ligging van de plaats van uitvoering.

    Het beginsel van gelijke behandeling verplicht tot transparantie

    Het beginsel van gelijke behandeling verplicht tot transparantie. Dit veronderstelt dat een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd die potentiële kandidaten de kans moet bieden om hun interesse te tonen voor de opdracht indien zij zulks zouden wensen. De ondernemingen van andere lidstaten moeten aldus op grond van een passende openbaarheid toegang krijgen tot de relevante informatie voor de toewijzing van de opdracht, zodat de markt voor de mededing wordt geopend. In de interpretatieve mededeling geeft de Europese Commissie aan dat dit haar inziens een bekendmaking veronderstelt, waarvan de omvang en het medium afhankelijk zijn van het belang van de opdracht voor potentiële inschrijvers uit andere lidstaten. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal aan de vereiste van de passende bekendmaking kunnen worden voorbij gegaan, inzonderheid in gevallen waarin de overheidsopdrachtenreglementering toelaat om beroep te doen op de onderhandelingsprocedure zonder naleving van de bekendmakingsregels (zie art. 17 § 2 van de wet van 24 december 1993).

    Het gelijkheidsbeginsel houdt verder ook in dat de spelregels bij alle potentiële gegadigden bekend moeten zijn en voor iedereen op dezelfde wijze moeten worden toegepast. Er mogen geen discriminerende voorwaarden worden opgelegd en de lidstaten dienen elkaars gelijkwaardige diploma's, certificaten en andere titels wederzijds te erkennen.

    3. Rechtspraak

    Hof van Justitie


    Hof van Justitie, arrest van 13 september 2007, zaak C-260/04, Europese Commissie t./ Italië – Concessie voor openbare diensten – Hernieuwing van 329 concessies voor beheer en aanneming van weddenschappen op paardenrennen zonder aanbestedingsprocedure – Verplichtingen van openbaarheid en transparantie

    Vindplaats: http://www.curia.europa.eu

    Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de nationale autoriteiten bij het toewijzen van concessies voor openbare diensten de beginselen van non-discriminatie en transparantie in acht moeten nemen opdat een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd, zodat de dienstenmarkt voor mededinging wordt geopend en de aanbestedingsprocedures op onpartijdigheid kunnen worden getoetst.

    De Europese Commissie stelde dat de Italiaanse regering de uit deze beginselen voortvloeiende vereisten niet had nageleefd door 329 concessies voor beheer en aanneming van weddenschappen op paardenrennen zonder aanbestedingsprocedure te hebben hernieuwd.

    In zijn arrest van 13 september 2007 bevestigt het Hof van Justitie andermaal zijn rechtspraak dat concessieovereenkomsten voor openbare diensten van de werkingssfeer van de dienstenrichtlijn 92/50 zijn uitgesloten maar dat de overheidsinstanties die deze overeenkomsten sluiten, niettemin de fundamentele regels van het Verdrag in het algemeen en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in het bijzonder, in acht moeten nemen.

    Het Hof heeft vervolgens voor recht verklaard dat de verdragsbepalingen die op concessies voor openbare diensten van toepassing zijn, meer bepaald de artikelen 43 EG en 49 EG, alsook het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit een bijzondere uitdrukking van het algemene beginsel van gelijke behandeling zijn.

    De beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie op grond van nationaliteit houden met name een transparantieverplichting in, zodat de concessieverlenende overheidsinstantie zich ervan kan vergewissen dat deze beginselen in acht worden genomen. De op deze overheidsinstantie rustende transparantieverplichting houdt in, dat aan elke potentiële inschrijver een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd, zodat de dienstenconcessie voor mededinging openstaat en de aanbestedingsprocedures op onpartijdigheid kunnen worden getoetst.

    In de onderhavige zaak heeft het Hof vastgesteld dat het geheel ontbreken van een aanbesteding met het oog op de toewijzing van de concessies voor het beheer van de paardenweddenschappen niet in overeenstemming is met de artikelen 43 EG en 49 EG, en in het bijzonder niet strookt met het algemene transparantiebeginsel en de verplichting om een passende mate van openbaarheid te garanderen. Immers, de hernieuwing zonder aanbesteding van de 329 oude concessies verhindert dat bedoelde concessies worden opengesteld voor de mededinging en dat de toewijzingsprocedures op onpartijdigheid worden getoetst.

    Het Hof stelt verder vast dat de Italiaanse regering geen uitzonderingsmaatregelen, zoals die uitdrukkelijk in de artikelen 45 EG en 46 EG zijn voorzien, heeft ingeroepen maar daarentegen de hernieuwing zonder aanbesteding heeft gerechtvaardigd door “de noodzaak om met name de ontwikkeling van illegale activiteiten op het gebied van de inzameling en de toekenning van weddenschappen te ontmoedigen”. De Italiaanse regering heeft in haar verweerschrift echter niet uitgelegd in welk opzicht het ontbreken van iedere aanbestedingsprocedure hiertoe noodzakelijk zou zijn en heeft geen argumenten aangevoerd die de door de Commissie gewraakte niet-nakoming weerleggen. Wat daarnaast de door de Italiaanse regering aangevoerde economische motieven betreft, zoals het streven, de concessiehouders een waarborg te bieden voor continuïteit, financiële stabiliteit en een aanvaardbaar rendement op investeringen uit het verleden, volstaat het, aldus nog het Hof, eraan te herinneren dat deze niet kunnen worden aanvaard als dwingende redenen van algemeen belang die een beperking van een door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheid rechtvaardigen.

    Hieruit concludeert het Hof dat geen van de dwingende redenen van algemeen belang die de Italiaanse regering heeft ingeroepen ter rechtvaardiging van de hernieuwing van de 329 oude concessies zonder enige aanbestedingsprocedure, kan worden aanvaard. Zij heeft dan ook het beroep van de Europese Commissie gegrond verklaard.

    Hof van Justitie, beschikking van 4 oktober 2007, zaak C-492/06, Consorzio Elisoccorso San Raffaele – Richtlijn 89/665/EEG – Beroepsprocedure inzake plaatsen van overheidsopdrachten – Personen die beroepsprocedures kunnen inleiden – Inschrijvende tijdelijke vereniging – Recht voor elk van leden van tijdelijke vereniging om individueel beroep in te stellen

    Vindplaats: http://www.curia.europa.eu

    Met zijn prejudiciële vraag wenste de verwijzende rechter te vernemen of richtlijn 89/665/EEG aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat naar nationaal recht één enkel lid van een tijdelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die als zodanig heeft deelgenomen aan een procedure voor de gunning van een overheidsopdracht en waaraan de opdracht niet is gegund, individueel beroep kan instellen tegen het besluit tot gunning van deze opdracht.

    In zijn arrest van 4 oktober 2007 herinnert het Hof van Justitie eraan dat ingevolge richtlijn 89/665 de lidstaten er zorg voor dienen te dragen dat de daarin voorziene beroepsprocedures toegankelijk zijn voor eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde overheidsopdracht en die is of dreigt te worden gelaedeerd door een beweerde schending van het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of de nationale voorschriften waarin dat gemeenschapsrecht is omgezet.

    Wel stelt richtlijn 89/665 enkel de minimumvoorwaarden vast waaraan de beroepsprocedures in de nationale rechtsorden moeten voldoen om de eerbiediging van de gemeenschapsrechtelijke regels inzake overheidsopdrachten te verzekeren.

    Het Hof verwijst verder naar zijn arrest Espace Trianon en Sofibail waarin het de rechtsbeschermingsrichtlijn 89/665 heeft uitgelegd met het oog op een situatie waarin volgens de nationale rechtsorde een beroep tot nietigverklaring van een besluit tot gunning van een overheidsopdracht moet worden ingesteld door de gezamenlijke leden die een inschrijvende tijdelijke vereniging vormen. In dat arrest heeft het Hof opgemerkt dat:
  • een tijdelijke vereniging kan worden aangemerkt als een persoon die belang heeft bij de gunning van een overheidsopdracht in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 89/665, aangezien zij door indiening van een offerte voor de overheidsopdracht in kwestie haar belang bij de gunning hiervan heeft aangetoond, en dat

  • niets in de zaak in het hoofdgeding eraan in de weg staat dat de leden van de tijdelijke vereniging gezamenlijk, in hun hoedanigheid van lid van die vereniging of in eigen naam, beroep tot nietigverklaring instellen tegen de litigieuze besluiten.


  • Het Hof is zodoende in dat arrest tot de conclusie gekomen dat de betrokken nationale procedureregel de toegankelijkheid van een beroep niet beperkt op een wijze die in strijd is met artikel 1, lid 3, van richtlijn 89/665. Bijgevolg heeft het Hof in dat arrest geoordeeld dat artikel 1 van voornoemde richtlijn er niet aan in de weg staat dat naar nationaal recht van een lidstaat enkel de gezamenlijke leden van een tijdelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die als zodanig heeft deelgenomen aan een procedure voor de gunning van een overheidsopdracht en waaraan de opdracht niet is gegund, beroep kunnen instellen tegen het besluit tot gunning van deze opdracht.

    Daarmee heeft het Hof in zijn arrest Espace Trianon en Sofibail enkel een minimumdrempel vastgesteld voor de door richtlijn 89/665 gegarandeerde toegang tot beroepen inzake aanbestedingen. Het Hof heeft geenszins uitgesloten dat andere lidstaten in hun nationale recht een ruimere toegang tot deze beroepen kunnen verlenen door een bredere invulling te geven aan het begrip procesbevoegdheid dan het door die richtlijn gegarandeerde minimum.

    Bij het ontbreken van een specifieke bepaling hieromtrent is het namelijk een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van elke lidstaat om in het bijzonder te bepalen of en onder welke voorwaarden de procesbevoegdheid in beroepsprocedures kan worden uitgebreid tot ondernemingen die deel uitmaken van een vereniging die als zodanig heeft ingeschreven.

    Dienaangaande preciseert het Hof dat, waar het gaat om procedurele regels voor beroepen in rechte ter bescherming van de rechten die het gemeenschapsrecht aan de door besluiten van aanbestedende diensten gelaedeerde gegadigden en inschrijvers verleent, deze geen inbreuk mogen maken op de nuttige werking van richtlijn 89/665, die beoogt te waarborgen dat tegen onwettige besluiten van aanbestedende diensten doeltreffend en zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld.

    Een uitlegging van artikel 1 van deze richtlijn op grond waarvan de procesbevoegdheid kan worden uitgebreid tot elk van de leden van een tijdelijke vereniging die heeft ingeschreven in het kader van een procedure voor de gunning van een overheidsopdracht, brengt deze doelstelling niet in gevaar, maar lijkt integendeel juist te kunnen bijdragen aan de verwezenlijking hiervan.

    Concluderend heeft het Hof van Justitie op de voorgelegde prejudiciële vraag geantwoord dat artikel 1 van richtlijn 89/665 aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat naar nationaal recht één enkel lid van een tijdelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die als zodanig heeft deelgenomen aan een procedure voor de gunning van een overheidsopdracht en waaraan de opdracht niet is gegund, individueel beroep kan instellen tegen het besluit tot gunning van deze opdracht.

    Hof van Justitie, arrest van 11 oktober 2007, zaak C-241/06, Lämmerzahl – Richtlijn 89/665/EEG – Beroepsprocedures inzake plaatsen van overheidsopdrachten – Vervaltermijn – Doeltreffendheidsbeginsel

    Vindplaats: http://www.curia.europa.eu

    In zijn arrest van 11 oktober 2007 brengt het Hof van Justitie in herinnering dat de rechtsbeschermingsrichtlijn 89/665/EEG zich niet verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat tegen een besluit van de aanbestedende dienst binnen een daartoe gestelde termijn beroep moet worden ingesteld en dat elke ter ondersteuning van het beroep aangevoerde onregelmatigheid van de aanbestedingsprocedure op straffe van verval van recht binnen diezelfde termijn moet worden opgeworpen, zodat het na het verstrijken van deze termijn niet langer mogelijk is tegen een dergelijk besluit op te komen of een dergelijke onregelmatigheid op te werpen, mits de betrokken termijn redelijk is.

    Wel mogen nationale vervaltermijnen, met inbegrip van de wijze van toepassing ervan, de uitoefening van de rechten die de belanghebbende in voorkomend geval aan het gemeenschapsrecht ontleent, op zich niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

    In casu heeft het Hof nagegaan of de toepassing van een nationale vervalregel als redelijk kan worden beschouwd dan wel de uitoefening van de rechten die de belanghebbende in voorkomend geval aan het gemeenschapsrecht ontleent, in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.

    Een bericht van aanbesteding zonder gegevens over de geraamde waarde van de opdracht, gevolgd door vage antwoorden van de aanbestedende dienst op vragen van een mogelijke inschrijver, zoals in casu het geval was, moet volgens het Hof, gelet op het bestaan van een vervaltermijn, worden beschouwd als een omstandigheid die de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten voor de gelaedeerde inschrijver uiterst moeilijk heeft gemaakt.

    Het Hof verklaart dan ook voor recht dat richtlijn 89/665, zich ertegen verzet dat een vervalregel van nationaal recht aldus wordt toegepast dat een inschrijver geen beroep betreffende de keuze van de procedure voor plaatsing van een overheidsopdracht of betreffende de raming van de waarde van deze opdracht kan instellen wanneer de aanbestedende dienst de globale hoeveelheid of omvang van deze opdracht niet duidelijk aan de belanghebbende heeft meegedeeld. Dezelfde bepalingen van deze richtlijn verzetten zich er ook tegen dat een dergelijke regel algemeen wordt uitgebreid tot beroepen tegen besluiten van de aanbestedende dienst, daaronder begrepen die welke in de fasen van de aanbestedingsprocedure na het verstrijken van de bij deze vervalregel gestelde termijn worden genomen.

    Hof van Justitie, arrest van 13 november 2007, Europese Commissie t./ Ierland, zaak C 507/03 – Richtlijn 92/50/EEG – Gunning van niet-prioritaire (of B-) diensten – Gunning van overheidsopdracht van diensten aan de Ierse Post zonder voorafgaande aankondiging van opdracht – Artikelen 43 EG en 49 EG – Algemene beginselen van transparantie, gelijkheid en non-discriminatie – Opdracht met een duidelijk grensoverschrijdend belang? – Bewijs niet geleverd

    Vindplaats: http://www.curia.europa.eu

    Na ontvangst van een klacht heeft de Europese Commissie Ierland voor het Hof van Justitie gedaagd omdat de Ierse minister van Sociale Zaken een overeenkomst had gesloten met de Ierse Post zonder een aanbesteding te hebben uitgeschreven. Op grond van deze overeenkomst konden de rechthebbenden op sociale uitkeringen de hun verschuldigde bedragen in de postkantoren innen. Deze overeenkomst werd regelmatig verlengd.

    Alhoewel de kwestieuze dienstenopdracht een niet-prioritaire of B-dienst betrof – voor welke diensten de richtlijn diensten geen voorafgaandelijke bekendmaking van de te gunnen opdracht voorschrijft en slechts in een bekendmaking ex post voorziet indien het gegund bedrag van de opdracht de Europese drempels heeft bereikt – was de Europese Commissie van oordeel dat Ierland de artikelen 43 EG en 49 EG en de algemene beginselen van transparantie, gelijkheid en non-discriminatie had geschonden door het sluiten van de kwestieuze overeenkomst zonder dat een aanbesteding was uitgeschreven. In haar verzoekschrift stelt Europese Commissie dat de lidstaten naast de voorschriften van richtlijn 92/50 ook deze regels in acht moeten nemen.

    De Commissie baseerde zich voor deze stelling op verschillende uitspraken van het Hof waaruit volgens haar blijkt dat het primaire recht naast de in een richtlijn vastgestelde verplichtingen kan worden ingeroepen .

    Ierland betwistte de analyse van de Commissie en stelde dat wanneer de gemeenschapswetgever uitdrukkelijke bepalingen op specifieke gebieden vaststelt, deze bepalingen niet op grond van de toepassing van algemene regels kunnen worden genegeerd, terzijde geschoven of buiten beschouwing gelaten. Bijzondere bepalingen dienen immers te prevaleren boven algemene bepalingen. Met haar vordering beoogt de Commissie dus de verplichtingen van de lidstaten op het gebied van overheidsopdrachten voor diensten uit te breiden.

    In zijn arrest van 13 november 2007 merkt het Hof van Justitie op dat voor diensten die onder bijlage I B bij richtlijn 92/50 vallen, de gemeenschapswetgever is uitgegaan van het vermoeden dat de opdrachten voor het verlenen van dergelijke diensten, gelet op de specifieke aard ervan, op het eerste gezicht geen grensoverschrijdend belang hebben dat kan rechtvaardigen dat de gunning ervan plaatsvindt na een aanbestedingsprocedure die ondernemingen uit andere lidstaten de mogelijkheid dient te bieden, kennis te nemen van de aankondiging van de opdracht en een offerte in te dienen. Om deze reden schrijft richtlijn 92/50 voor deze categorie diensten enkel een bekendmaking ex post voor.

    Anderzijds staat het ook vast dat de gunning van overheidsopdrachten onderworpen blijft aan de fundamentele regels van gemeenschapsrecht en met name aan de in het Verdrag neergelegde beginselen van vrije vestiging en vrije dienstverrichting.

    In dit verband verwijst het Hof naar zijn vaste rechtspraak volgens welke de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten op communautair niveau zijn gecoördineerd om belemmeringen voor het vrije verkeer van diensten en goederen op te heffen en dus om de belangen te beschermen van in een lidstaat gevestigde marktdeelnemers die goederen of diensten aan in een andere lidstaat gevestigde aanbestedende diensten wensen aan te bieden. De dienstenrichtlijn 92/50 streeft een dergelijk doel na.

    Hieruit volgt dat de door de gemeenschapswetgever vastgestelde regeling inzake de bekendmaking van opdrachten voor het verlenen van onder bijlage I B vallende diensten niet aldus kan worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan de toepassing van de uit de artikelen 43 EG en 49 EG voortvloeiende beginselen in het geval dat dergelijke opdrachten toch een duidelijk grensoverschrijdend belang vertonen.

    Voor zover een opdracht voor het verlenen van onder bijlage I B vallende diensten een dergelijk belang vertoont, levert de gunning van deze opdracht aan een in de lidstaat van de aanbestedende dienst gevestigde onderneming, zonder dat er sprake is van enige transparantie, een ongelijke behandeling op ten nadele van de in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen die mogelijkerwijs in deze opdracht geïnteresseerd zijn. Behoudens objectieve rechtvaardiging vormt een dergelijke ongelijke behandeling, die voornamelijk in het nadeel is van in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen, die immers alle worden uitgesloten, een door de artikelen 43 EG en 49 EG verboden indirecte discriminatie op grond van nationaliteit.

    In deze omstandigheden diende de Commissie aan te tonen dat de betrokken opdracht, ondanks het feit dat zij betrekking heeft op de onder bijlage I B bij richtlijn 92/50 vallende diensten, duidelijk belang had voor een onderneming die is gevestigd in een andere lidstaat dan de aanbestedende dienst, en dat deze onderneming haar interesse voor deze opdracht niet heeft kunnen uiten doordat zij vóór de gunning ervan geen toegang had tot bruikbare informatie.

    Omdat de Commissie in casu deze gegevens niet heeft verschaft, heeft het Hof van Justitie in zijn arrest van 13 november 2007 het beroep van de Commissie verworpen. De loutere verklaring dat een klacht over de betrokken opdracht bij haar is ingediend, volstaat voor het Hof niet om aan te tonen dat deze opdracht duidelijk van grensoverschrijdend belang was en om dientengevolge het bestaan van een verzuim vast te stellen.

    Grondwettelijk Hof

    Grondwettelijk Hof, 19 september 2007, nr. 118/2007 – Overheidsopdrachten – Geding voor de Raad van State – Prejudiciële vraag Raad van State – Moeten vertrouwelijke stukken van een dossier van de administratie aan het administratief dossier van de Raad van State worden toegevoegd en aan de partijen worden meegedeeld?

    Vindplaats: B.S. 31 oktober 2007, pp. 56151–56153.

    De Raad van State stelde zich naar aanleiding van een concreet geschil de vraag of, met toepassing van het beginsel van de tegenspraak, stukken die vertrouwelijke of delicate gegevens en informatie bevatten die te maken hebben met zakengeheimen, in een offerte, bij het administratief dossier moeten worden gevoegd en bijgevolg zowel toegankelijk moeten worden gemaakt voor de rechter als voor alle partijen. Bijgevolg besliste de Raad van State met zijn arrest nr. 164.028 van 24 oktober 2006 de voormelde prejudiciële vraag te stellen :

    « Schenden de artikelen 21 en 23 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, in die zin geïnterpreteerd dat de vertrouwelijke stukken van een dossier van de administratie aan het administratief dossier moeten worden toegevoegd en aan de partijen moeten worden medegedeeld, artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, aangezien zij het niet mogelijk maken het recht op de eerbiediging van het zakengeheim te verzekeren ? ».

    In zijn arrest van 19 september 2007 heeft het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag als volgt van antwoord gediend:

    Door aan de administratieve overheid de verplichting op te leggen om aan de partijen voor de Raad van State de zakengeheimen van een rechtspersoon mede te delen die zijn vervat in het administratief dossier en af te zien van het beroepsgeheim waartoe ze is gehouden krachtens artikel 139 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, kunnen de betwiste bepalingen een inmenging in het privé-leven van de betrokken rechtspersoon teweegbrengen.

    Een dergelijke inmenging moet dus een wettig doel nastreven en evenredig zijn met dat doel, ook al kan de inmenging, wanneer professionele of commerciële activiteiten in het geding zijn, verder gaan dan in andere gevallen.

    Artikel 21 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State strekt ertoe « te verhelpen aan de al dan niet door sommige gedingvoerende partijen gewilde langdurigheid van de procedures die voor de Raad van State worden aangespannen » en « het stilzitten of de inertie van het bestuur » te bestrijden. Artikel 23 van dezelfde wetten bevestigt het inquisitoriale karakter van de procedure voor de Raad van State.

    Doordat beide bepalingen het contradictoire karakter van de procedure verzekeren, waarborgen ze dus ook een eerlijk proces.

    De eerbiediging van het beginsel van de tegenspraak is verankerd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat van toepassing is op het voor de Raad van State hangende geschil. De eerbiediging van dat beginsel van de tegenspraak impliceert in de regel het recht voor de gedingvoerende partijen om kennis te nemen van elk stuk dat of elke opmerking die bij de rechter wordt neergelegd en ze te bespreken.

    De rechten van de verdediging moeten echter worden afgewogen tegen de belangen die onder de toepassing van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vallen. Aldus zijn uitzonderlijke situaties denkbaar waarin bepaalde stukken van het dossier, bijvoorbeeld vanwege het vertrouwelijke karakter ervan, aan de tegenspraak ontsnappen.

    Ten aanzien van artikel 6.1 van dat Verdrag zijn evenwel enkel die maatregelen die de rechten van de verdediging beperken legitiem die absoluut noodzakelijk zijn. Bovendien moeten de moeilijkheden die één van de partijen bij de uitoefening van haar verdediging zou ondervinden om reden van een beperking van haar rechten, worden gecompenseerd door de waarborg van de voor het rechtscollege gevolgde procedure. In het omgekeerde geval moeten de inbreuken op het privé-leven die voortvloeien uit een gerechtelijke procedure zoveel mogelijk worden beperkt tot diegene die door specifieke kenmerken van de procedure, enerzijds, en door de gegevens van het geschil, anderzijds, strikt noodzakelijk worden gemaakt.

    In die zin geïnterpreteerd dat ze de tegenpartij geenszins in staat stellen het vertrouwelijke karakter van bepaalde stukken in het administratief dossier aan te voeren teneinde de mededeling ervan aan de andere partijen te verhinderen, concludeert het Grondwettelijk Hof dat de in het geding zijnde bepalingen niet bestaanbaar zijn met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

    Het Grondwettelijk Hof stelt echter vast dat de in het geding zijnde bepalingen een andere interpretatie kunnen krijgen.

    Ofschoon het recht op een eerlijk proces wordt geschonden wanneer documenten die essentieel zijn voor de oplossing van het geschil, niet worden meegedeeld aan één van de partijen in het geding, moet dat principe wijken wanneer de strikte toepassing daarvan een kennelijke schending zou teweegbrengen van het recht op de eerbiediging van het privé-leven van sommige personen, door hen een bijzonder ernstig en zeer moeilijk te herstellen risico te laten lopen.

    In die gevallen kunnen elementen die beslissend zijn voor de oplossing van het geschil, worden onttrokken aan de tegenspraak van de partijen voor zover de ernstige handicap die daaruit voor sommigen onder hen voortvloeit, door de procedure zoveel mogelijk wordt gecompenseerd. Daarom moeten de partijen ervan op de hoogte worden gebracht dat er vertrouwelijke stukken bestaan en, indien mogelijk, in staat zijn een niet-vertrouwelijke versie van die stukken te raadplegen. Bovendien betaamt het dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter het aangevoerde vertrouwelijke karakter van die stukken kan controleren alsmede het feit of ze juist en relevant zijn.

    Het is aan de Raad van State om het aangevoerde vertrouwelijke karakter van sommige stukken van het administratief dossier te beoordelen door in elk geval de vereisten van het eerlijk proces en die van het zakengeheim tegen elkaar af te wegen.

    In deze tweede interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

    Hoven van Beroep

    Hof van Beroep Luik, 11 oktober 2005 – Overheidsopdracht – Door de aanbestedende overheid overgemaakte resultaten van grondonderzoek – Noodzaak van bijkomend grondonderzoek door aannemer – Voorstellen van boortechniek die enkel uitvoerbaar is in volmaakt losse grond – Aannemer en diens gespecialiseerde onderaannemer zijn tekortgeschoten wat betreft de meest elementaire voorzichtigheidsplicht.

    Vindplaats: T. Aann. 2007, pp. 225-230

    Hof van Beroep Antwerpen, 8 januari 2007 – Verbreking van een overheidsopdracht n.a.v. de correctionele veroordeling van de aannemers – Geen strafrechtelijke immuniteit rechtspersoon

    Vindplaats: NjW 2007, 655-657.

    Hof van Beroep Gent, 12 januari 2007 – Overheidsopdracht – Tijdelijke handelsvennootschap – Uittreding lid uit de tijdelijke handelsvennootschap – Geen goedkeuring door de aanbestedende overheid – Niet tegenwerpelijk aan deze overheid – Rechtsvordering door één lid niet ontvankelijk

    Vindplaats: NjW 2007, pp. 608-609.

    Hof van Beroep Gent, 4 mei 2007 – Artikel 18 AAV – Vervaltermijn vordering aannemer – Voorwaarden stilzwijgende oplevering – Ingebruikname van de werken niet voldoende – Werken slechts in gebruik genomen na het opstellen van een p.v. van weigering der werken en onder dreiging van het nemen van ambtshalve maatregelen

    Vindplaats: NjW,2007, pp. 851-853.

    4. Rechtsleer (monografieën, artikelen, rechtsgeleerde noten)
    • BRACONNIER, S. , Précis du droit des marches publics, Paris, 2007, Editions du Moniteur, 529 pp.
    • DE KONINCK, C. en FLAMEY, P., “De wetten van 15 en 16 juni 2006 inzake overheidsopdrachten – Ratio legis en belangrijke nieuwigheden”, R.W. 2007-2008, pp. 2-19.
    • DEOM, D., en MOSTIN, C., « Travaux publics et indemnisation du dommage économique – Droit Commun et innovation législative », Journal des Tribunaux 2007, pp. 709-719.
    • DUBOIS, Ch., “To be or not be “In house”? Observations relatives à l’exception “In house” après l’arrêt Carbotermo », C.D.P.K. 2007, pp. 213-240.
    • FLAMEY, P. en MAN, K., “Het verlies van belang van kandidaat-aannemers bij de aanvechting van de beslissingen die deel uitmaken van de gunningsprocedure” (noot onder R.v.St. nr. 152.174, 2 december 2005 en R.v.St., nr. 152.172, 2 december 2005), T. Aann. 2007, pp. 238-250.
    • FLAMME, M.-A., « De la mutabilité des contrats administratifs – et notamment des marchés publics – de sa mise en oeuvre largement discrétionnaire et des limites qui lui impose le respect de l’égalité dans la concurrence », T. Aann. 2007, pp. 140-148.
    • HEBLY, J.M. (ed.), European Public Procurement. Legislative History of the ‘Classic’ Directive 2004/18/EC, Alphen a/d Rijn, Kluwer Law International, 2007, 1806 pp.
    • KIRAT, T., BAYON, D., Les marchés publics de la défense. Droit du contrat public, pratique administrative et enjeux économiques, Brussel, Bruylant, 2006, 130 pp.
    • KOSKINEN, L., “Reform of Public Procurement Remedies : A first look at the Commission Proposal for an Amending Directive”, Eipascope 2006/3, pp. 19-24.
    • PIRARD, F. en DELLISSE, M-P, Sociale (prioriteits) clausules bij overheidsopdrachten. Tewerkstelling en opleiding, Mechelen, Kluwer, 2006.
    • VINCART, L., « Les obligations de Conseil, d’exécution, de conception d’information et de prévision : rôles respectifs des intervenants, interférences et coresponsabilité » (noot onder Hof van Beroep te Luik van 11 oktober 2005), T. Aann. 2007, pp. 205-224.
    .................................


    Belangrijke juridische kennisgeving - Disclaimer

    Hoewel bij de realisatie van deze nieuwsbrief een zo groot mogelijke nauwkeurigheid en correctheid werd nagestreefd, kan voor de aanwezigheid van eventuele (druk)fouten, onvolkomen- en onvolledigheden niet worden ingestaan en aanvaardt EBP hiervoor geen aansprakelijkheid. De gebruiker van deze nieuwsbrief erkent en aanvaardt, door de loutere aanwending van de inhoud ervan, voormelde afwijzing van aansprakelijkheid.



    ...................................................
    De portaalsite voor overheidsaankopers:
    www.publicatiesonline.be


    Als gebruiker van www.publicatiesonline.be weet u dat u via deze applicatie het publicatiebericht van uw opdrachten online kan doorsturen aan het Belgisch Bulletin der Aanbestedingen (BDA).

    Door uw bericht op deze manier te publiceren vervalt de kost die men u hiervoor aanrekende en wordt uw bericht binnen de 48 uur officieel gepubliceerd.
    Ook kan u het lastenboek dat hoort bij uw opdracht eenvoudig online beschikbaar maken voor geïnteresseerde kandidaat-leveranciers.

    Op vandaag worden meer dan 70% van alle gepubliceerde overheidsopdrachten via deze applicatie gegenereert.

    Meer dan 12 000 overheidsaankopers gebruiken de toepassing !

    Gegeven de vragen en suggesties die wij van de gebruikers mochten ontvangen, zijn wij dan ook blij u samen met de nieuwe look & feel volgende nieuwe functionaliteiten volledig vrijblijvend en kosteloos aan te kunnen reiken :
    • Europees publiceren ?

    • Moet u uw opdracht ook Europees bekend maken ? Dan kan het door u aangemaakte publicatiebericht op het zelfde moment zowel naar het BDA als naar het Europees Publicatieblad (EPS) online doorsturen (eerst EPS dan BDA) ! Dus geen dubbel werk meer, één keer aanmaken, met één druk op de knop direct versturen naar de 2 publicatieorganen !

    • U zoekt voorbeeld-lastenboeken ?

    • Zit u nog in de propectiefaze ? Dankzij de module "marktverkenning" vindt u op publicatiesonline meer dan 4 000 recente voorbeeld lastenboeken van collega's ! Op basis van het voorwerp van de opdracht ontdekt u via een eenvoudige boomstructuur én de volledige publicatie én het bijhorende lastenboek, onmiddellijk en onbeperkt downloadbaar. Zo weet u direct wie van uw collega's gelijkaardige aankopen deden in het nabije verleden en hoe zij hun lastenboek hebben samengesteld.

    • U zoekt leveranciers in het kader van onderhandelingsprocedures zonder bekendmaking / aankopen op eenvoudige factuur ? U zoekt meer offertes ?

    • Via de module "marktbevraging" kan u de elementen (voorwerp, administratieve eisen, technische specificaties, ...) van uw onderhandse vraag oplijsten, daarna in het systeem die leveranciers aanmaken aan wie u uw vraag wenst te versturen en/of gebruik maken van de reeds bestaande leveranciersdatabank die eenvoudig toegankelijk is per sector/activiteit. U bereikt zo bedrijven die hun interesse om voor besturen te werken expliciet hebben aangegeven. Het systeem stuurt uw vraag electronisch rechtstreeks door aan de door u geselecteerde bedrijven. Aan hun om daarna verder direct met u contact op te nemen.

      Tip : U kan deze module niet enkel voor het opvragen van offertes doch ook voor het opvragen van (technische) documentatie aanwenden !
    Ook vindt u op de site informatie over ons vormingsaanbod over alle facetten van het aanbesteden, van basisvormingen tot studiedagen over meer gespecialiseerde thema's.
    We verwelkomen u graag op één van deze vormingsdagen !

    We hopen dat deze nieuwe functionaliteiten u helpen bij uw aanbestedingspraktijk en zijn benieuwd naar uw reacties !

    Met vriendelijke groeten,

    Bruno De Mulder, EBP consultant overheidsopdrachten.


    Voor meer info over hoe EBP u kan bijstaan bij het voeren van uw overheidsopdrachten verwijs ik u graag naar www.ebp.be.
    Zit u met een vraag dan kan u ook vrijblijvend met ons contact opnemen via support@ebp.be of bel ons op het nummer 02-420 68 60.
    ...................................................

    Ontdek de nieuwe data van onze opleidingen voor 2008!








    ...................................................
    Studiedag:"Inbesteding, aanbesteding en publiek-private samenwerkingen"
    Deze studiedag brengt de in-house contracten en PPS-mogelijkheden voor besturen onder het licht: welke is de geldende regelgeving? Wat met het gemeentedecreet? Aan de hand van recente praktijkvoorbeelden worden de laatste wijzigingen uiteengezet door onze vier gastsprekers.
    Meer

    ...................................................






























    ...................................................
    Opleiding: "Integriteitsrisico's bij overheidsopdrachten"
    Bent u betrokken bij het aankoopproces binnen uw bestuur, dan dient u de wetgeving overheidsopdrachten scrupuleus na te leven. Als ervaren aankoper weet u dat dit proces niet vrij is van integriteitsrisico's die de reputatie van uw organisatie ernstig kunnen schaden!
    Meer

    ...................................................






























    ...................................................
    Opleiding: "ICT en Overheidsopdrachten"
    Hoe kan u een evenwicht vinden tussen de operationele behoeftes van uw bestuur aan ICT-benodigdheden en de wet overheidsopdrachten? Praktijkgericht dagseminarie met al de nuttige tips voor uw ICT-aankoopbeleid.
    Meer

    ...................................................






























    ...................................................
    Operationele leasing van voertuigen, hoe doe je het als overheid ?
    Het (operationeel) leasen van voertuigen is een wijd verspreidde techniek.
    Waarschijnlijk doet u het als bestuur ook of denkt u eraan.
    Nochtans wijst de praktijk uit dat niet steeds om de juiste redenen deze techniek wordt gehanteerd.
    Meer

    ...................................................






























    ...................................................
    Vermijd valkuilen bij overheidsopdrachten van werken!
    U zit in de sector van de werken en u wordt dagelijks geconfronteerd met de praktische uitvoering van de wetgeving op de overheidsopdrachten.
    Deze wetgeving is een opgelegd instrument dat u enerzijds toelaat uw werkendossiers te stroomlijnen volgens dezelfde procedures en regels, maar dat u anderzijds opzadelt met soms in de praktijk moeilijk toepasbare uitvoeringsmodaliteiten.
    Meer

    ...................................................






























    ...................................................
    Opleiding: "De nieuwe wetgeving overheidsopdrachten"
    De nieuwe wet overheidsopdrachten werd op 15 februari in Het Belgisch Staatsblad gepubliceerd! Wat zal deze nieuwe wet in 2007 in uw dagdagelijks praktijk veranderen? Wanneer zullen de KB's ter uitvoering van de wet klaar zijn?
    Meer

    ...................................................






























    ...................................................
    Opleiding: De uitvoeringsregels m.b.t. overheidsopdrachten
    Hoe een opdracht tot een goed einde brengen na de toewijzing? Deze opleiding doorloopt de uitvoeringsregels en legt een accent op de praktische implicaties ervan. Concreet bruikbare bagage om uw opdrachten tot een goed einde te brengen!
    Meer

    ...................................................






























    ...................................................
    Basisopleiding: "Succesvol overheidsopdrachten toewijzen"
    U doet aankopen voor uw bestuur of u moet het binnenkort gaan doen ? EBP reikt u opnieuw een aantal sessies aan van haar basisopleiding "hoe succesvol overheidsopdrachten toewijzen?".
    Meer

    ...................................................






























    ...................................................
    Studiedag "Overheidsopdrachten van diensten"
    De praktische toepassing van de reglementering overheidsopdrachten op dienstenopdrachten...
    Meer

    ...................................................






























    ...................................................
    Opleiding: "Hoe haalt u het maximum uit uw onderhandelingsprocedures?"
    Als aankoopprocedure is de onderhandelingsprocedure een godsgeschenk. Hoe deze procedure in de praktijk correct en tot het maximum van haar capaciteit benutten?
    Meer

    ...................................................






























    ...................................................
    Opleiding: "Hoe een correct en coherent lastenboek samenstellen?"
    Een goed opgemaakt lastenboek is het noodzakelijke fundament voor een succesvolle opdracht.
    Een gebrekkig lastenboek zal de correcte toewijzing en de succesvolle uitvoering van uw overheidsopdrachten hypothekeren!
    Meer

    ...................................................






























    ...................................................
    Opleidingen op maat?
    In functie van uw behoefte kunnen opleiding op maat gemaakt worden.
    Stuur ons uw vraag en wij werken een oplossing voor u uit.
    Meer

    ...................................................




























































































































































    ...................................................

    EBP
    Leopold II laan, 157 te 1080 Brussel
    Tel: +32 (0)2 420 68 6010:10 04/05/07
    Fax: +32 (0)2 425 85 58
    Web: www.ebp.be
    ...................................................
























































































































































    ..................................................................................
    Om geen mails meer van ons te krijgen,
    gelieve dan hier te klikken 
    of stuur een mail naar: remove@ebp.be
     
    ..................................................................................















































































































    PRIVACY - DISCLAIMER