Print the newsletter

 

Inhoud:
 
Seminaries overheidsopdrachten
Nationale wet- en regelgeving
Rechtspraak
Rechtsleer (monografieën, artikelen, rechtsgeleerde noten)
Diverse publicaties
 


Seminaries overheidsopdrachten


U bent binnen uw bestuur actief als ICT-verantwoordelijke of ICT-aankoper ? Dan dient u regelmatig de uitdaging aan te gaan om een evenwicht te vinden tussen uw operationele noden en de  bepalingen eigen aan de wetgeving overheidsopdrachten. Al uw aankopen van IT-leveringen of -diensten dienen in overeenstemming te zijn met dit regelgevend kader.
Het (operationeel) leasen van voertuigen is een wijd verspreidde techniek.
Waarschijnlijk doet u het als bestuur ook of denkt u eraan.
Nochtans wijst de praktijk uit dat niet steeds om de juiste redenen deze techniek wordt gehanteerd.

U zit in de sector van de werken en u wordt dagelijks geconfronteerd met de praktische uitvoering van de wetgeving op de overheidsopdrachten.
Deze wetgeving is een opgelegd instrument dat u enerzijds toelaat uw werkendossiers te stroomlijnen volgens dezelfde procedures en regels, maar dat u anderzijds opzadelt met soms in de praktijk moeilijk toepasbare uitvoeringsmodaliteiten.
Hoe een opdracht tot een goed einde brengen na de toewijzing? Deze opleiding doorloopt de uitvoeringsregels en legt een accent op de praktische implicaties ervan. Concreet bruikbare bagage om uw opdrachten tot een goed einde te brengen!
U doet aankopen voor uw bestuur of u moet het binnenkort gaan doen ? Begin 2007 richt EBP opnieuw een paar sessies in van haar basisopleiding succesvol overheidsopdrachten toewijzen?".
De praktische toepassing van de reglementering overheidsopdrachten op dienstenopdrachten...
Als aankoopprocedure is de onderhandelingsprocedure een godsgeschenk. Hoe deze procedure in de praktijk correct en tot het maximum van haar capaciteit benutten?
Een goed opgemaakt lastenboek is het noodzakelijke fundament voor een succesvolle opdracht.
Een gebrekkig lastenboek zal de correcte toewijzing en de succesvolle uitvoering van uw overheidsopdrachten hypothekeren!
Hoe kunnen uw rechten bij overheidsopdrachten worden gevrijwaard ? Deze studiemiddag richt zich tot juristen, bedrijfsjuristen, advocaten, ambtenaren van federale, regionale en lokale overheden verantwoordelijk voor overheidsopdrachten, bedrijven, aannemers en eenieder die met schade en schadeclaims in het kader van overheidsopdrachten wordt geconfronteerd.
In functie van uw behoefte kunnen opleiding op maat gemaakt worden.
Stuur ons uw vraag en wij werken een oplossing voor u uit.

Nationale wet- en regelgeving

Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister -– Overheidsopdrachten. - Rentevoet van de verwijlinteresten. Artikel 15, § 4, van de Algemene Aannemingsvoorwaarden - Bericht (B.S. 17 juli 2006)

Voor de overheidsopdrachten gegund vanaf 8 augustus 2002 geldt voor de periode juli tot december 2006 een rentevoet van 10%.

Terug naar inhoud

 


Rechtspraak

H.v.J., 11 mei 2006, Carbotermo, zaak C-340/04,
    • Richtlijn 93/36/EEG
    • Overheidsopdrachten voor leveringen
    • Gunning zonder aanbesteding
    • Gunning van opdracht aan onderneming waarin aanbestedende dienst deelneming heeft
    • In-house-problematiek

    De Richtlijn 93/36/EEG (leveringen) verzet zich tegen de rechtstreekse gunning van een opdracht voor leveringen en voor diensten, waarbij de leveringen de hoogste waarde hebben, aan een aandelenvennootschap waarvan de raad van bestuur ruime beheersbevoegdheden heeft die hij zelfstandig kan uitoefenen en waarvan het kapitaal thans volledig in handen is van een andere aandelenvennootschap waarvan de hoofdaandeelhouder tevens de aanbestedende dienst is.

    Artikel 13 van richtlijn 93/38/EEG (nutssectoren) kan niet worden toegepast om uit te maken of is voldaan aan de voorwaarde voor de niet-toepasselijkheid van richtlijn 93/36, te weten dat de onderneming waaraan een opdracht voor leveringen rechtstreeks is gegund het merendeel van haar werkzaamheden verricht voor het overheidslichaam dat haar controleert.

    Om inzake de vraag of richtlijn 93/36 al dan niet van toepassing is, uit te maken of een onderneming het merendeel van haar activiteiten verricht voor het overheidslichaam dat haar controleert, moet rekening worden gehouden met alle werkzaamheden die deze onderneming verricht op basis van een gunning door de aanbestedende dienst, ongeacht of deze activiteiten door de aanbestedende dienst zelf dan wel door de gebruiker van de verrichte diensten worden vergoed, en ongeacht op welk grondgebied de werkzaamheden worden verricht.
Hof van Cassatie, 3 oktober 2002, - Overheidsopdrachten – Aanneming van Werken –
Algemene aannemingsvoorwaarden - Toepassing – Aanvullende borgtocht – Voorwerp
(R.W. 2005-2006, 1501-1502, met noot M. Gelders en L. Schellekens)

Overwegende dat artikel 7, § 1, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten, onder het opschrift "Rechten van het bestuur op de borgtocht", bepaalt dat bij vertraging in de uitvoering of bij de gedeeltelijke niet-uitvoering van de opdracht, zelfs bij ontbinding of verbreking ervan, het bestuur van ambtswege de sommen die hem toekomen van de borgtocht afhoudt;

Dat, volgens artikel 9, § 1, van de algemene aannemingsvoorwaarden, voor de opdrachten van werken, in geval van twee keuringen, een voorlopige en een definitieve, iedere borgtocht bij helften wordt vrijgegeven na elk van die keuringen;

Overwegende dat het bijzonder typebestek 108, waaraan de litigieuze opdrachten onderworpen waren, met name de bepalingen van de algemene aannemingsvoorwaarden waarvan dat bijzonder bestek niet afwijkt, toepasselijk maakt;

Dat artikel 5.A. van het bijzonder bestek bepaalt dat, wanneer het aannemingen van werken betreft, een aanvullende borgtocht gestort moet worden en dat deze tien percent bedraagt van het totaal bedrag van de werken, grondstoffen en materialen die onderworpen zijn aan de voorafgaande technische keuring;

Dat luidens artikel 7.A. van dat bijzonder bestek, wanneer de proefuitslagen niet gunstig zijn, de ten onrechte betaalde bedragen afgehouden worden van de eerstvolgende maandelijkse betalingsstaat, zo niet van de aanvullende borgtocht en van de borgtocht; dat beide borgtochten door de aannemer zonder enige waarschuwing vanwege het Bestuur, binnen vijftien kalenderdagen die op deze afhouding volgen, dienen te worden aangezuiverd;

Overwegende dat, enerzijds, geen van de onderdelen van het middel het arrest verwijt dat het heeft beslist dat de voornoemde artikelen van het bijzonder bestek een beding bevatten dat er niet in voorkomt of een beding niet bevatten dat er wel in voorkomt, maar wel dat het daaraan een andere uitlegging geeft dan de door eiseres voorgestelde uitlegging dat dezelfde grief niets te maken heeft met de miskenning van de bewijskracht van de akten;

Overwegende dat, anderzijds, uit het geheel van de voornoemde bepalingen volgt dat de aanneming, behalve indien ervan wordt afgeweken door de bepalingen van het bijzonder typebestek 108, onderworpen is aan het geheel van de algemene aannemingsvoorwaarden en dat de aanvullende borgtocht, die aan dezelfde regels is onderworpen als de gewone borgtocht, de nakoming van de verplichtingen van de aannemer waarborgt, tot het werk volledig en correct is uitgevoerd;

Overwegende dat het arrest door te oordelen dat "het aanspreken van de aanvullende borgtocht, ongeacht de specifieke aard, het voorwerp en de bijzondere bedoeling ervan, niet beperkt is tot de loutere gevallen van ongunstige proefresultaten in de zin van artikel 7.A van het bijzonder typebestek, maar, net zoals de gewone borgtocht, de goede uitvoering van het geheel van alle verplichtingen van de onderneming moet waarborgen" zijn beslissing naar recht verantwoordt;

Dat het middel niet kan worden aangenomen »

[volgt verwerping]

R.v.St., nr. 155.076, 15 februari 2006, M oulin & Associes , – Overheidsopdrachten – Onderhandelingsprocedure –
Keuze aanbestedende overheid uit ondernemingen die ze heeft geconsulteerd – Discretionaire bevoegdheid die
echter niet arbitrair mag worden uitgeoefend

Dans le cadre d'une procédure négociée, le pouvoir adjudicateur est libre de choisir, parmi les entreprises qui auront manifesté leur intérêt, celles qu'il consultera et il jouit, dans cette consultation dépourvue de tout formalisme, de la même liberté que les particuliers, et notamment de celle de négocier avec tous ou certains, voire un seul des candidats; que, toutefois, le pouvoir largement discrétionnaire dont dispose l'autorité dans le cadre d'une procédure négociée ne peut s'exercer arbitrairement; que, notamment, elle est tenue de respecter les exigences de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs; que, par ailleurs, afin d’apprécier la légalité de l’acte attaqué au regard de la loi du 29 juillet 1991 précitée, il y a lieu de n’avoir égard qu’aux motifs exprimés dans l’acte lui-même; que des développements relatifs à des critères d’attribution du marché ou à des qualités de telle ou telle offre, contenus dans les écrits de procédure, constituent une motivation a posteriori de l’acte attaqué et ne peuvent être retenus.

R.v.St., nr. 153.075, 21 december 2005, E ntreprises Gilles et Moury , – Overheidsopdrachten – Moeilijk te herstellen
ernstig nadeel – Referentieopdracht

“Considérant qu’en soi, la perte d’un marché mis en concurrence ne suffit pas à constituer un préjudice grave difficilement réparable; qu’en effet, la perte d’une commande publique et, dès lors, d’une part de marché dans le domaine considéré, est inhérente à toute procédure de mise en concurrence; qu’elle ne le peut que si elle s’accompagne de circonstances particulières démontrant, par exemple, qu’elle risque d’empêcher la continuation des activités ou même l’existence de la requérante, ou de compromettre lourdement sa réputation ou sa stratégie commerciale dans son secteur d’activité; que, sur ce point, la demande de suspension n’est accompagnée d’aucun document de nature à étayer les affirmations des demanderesses;

Considérant, en ce qui concerne la perte d’un marché de références, que constitue un tel marché celui dont la rareté, l’ampleur, la complexité de conception ou d’exécution, la mise en oeuvre de techniques particulières ou nouvelles sont susceptibles de conférer à son attributaire une réputation toute particulière; qu’en l’espèce, le marché public querellé peut être considéré comme tel, tout d’abord, en raison de son ampleur - il s’agit d’une seule entreprise et non d’un marché à lots; les montants financiers en jeu requiert une agréation en classe 8; le délai d’exécution est de 730 jours calendrier; ensuite, en raison de sa nature et de sa complexité - l’intitulé et l’objet du marché en sont le reflet (restauration de bâtiments culturels qualifiés de "Monument classé - Patrimoine exceptionnel"); la catégorie requise en agréation est la D24

"Restauration de monuments"; des techniques spéciales sont retenues pour certains travaux; le marché porte aussi sur des prestations peu communes comme celles qui ont trait à la "muséographie"; enfin, en raison de son impact - le marché contribue à la réalisation du "mégamusée" qui est un projet important pour la région liégeoise, qualifié de "pôle de développement" par la partie adverse elle-même; que, pour ces raisons, le marché litigieux constitue de ce fait une "vitrine" pour l’entrepreneur qui le réalisera; qu’ainsi, la décision d’attribution du marché risque de comporter pour les demanderesses des conséquences graves difficilement réparables”.

R.v.St. (Algemene Vergadering), nr. 152.172, 2 december 2005, NV Boucher , – Overheidsopdrachten – Stopzetten van
gunningsprocedure – Heraanbesteding

Overwegende, dat het belang van een verzoeker om voor de Raad van State een beslissing tot toewijzing van een overheidsopdracht te bestrijden er idealiter in bestaat opnieuw op zijn minst kans te maken om die opdracht toegewezen te krijgen en die zelf uit te voeren;

Overwegende dat, in die gedachtegang, het belang om de nietigverklaring te vorderen van een beslissing waarbij van een gunningsprocedure wordt afgezien, tenietgaat wanneer de verzoeker geen belangstelling meer toont voor de nieuwe procedure, hetzij door te verzuimen daaraan deel te nemen, hetzij door zich ervan te onthouden de beslissing te betwisten waarbij de opdracht aan een concurrent wordt toegewezen;

Overwegende dat het te dezen niet correct is te beweren, zoals de verzoekende partijen doen, dat de tweede gunningsprocedure "juridisch beschouwd volledig verschillend, autonoom en onafhankelijk van de eerste is", aangezien de verwerende partij met een en dezelfde beslissing van de eerste procedure heeft afgezien, de tweede heeft aangevat en de werken die het voorwerp uitmaken van de twee procedures dezelfde zijn; dat er aldus tussen beide procedures een verband bestaat;

Overwegende dat de verzoekende partijen niet de nietigverklaring hebben gevorderd van de [toewijzings]beslissing van 15 december 1997; dat ze aldus elke kans hebben verloren om die overheidsopdracht in de wacht te slepen, waardoor ze ook hun belang bij het voorliggende beroep verloren hebben”.
R.v.St., nr. 152.174, 2 december 2005, Naamloze Vennootschap AMEC Spie , – Aanvechten beslissing m.b.t. kwalitatieve
selectie – Afwezigheid van beroep tegen toewijzingsbeslissing – Verlies van het rechtens vereist belang

Overwegende dat de verzoekende partij bovendien moet doen blijken van een actueel belang bij het beroep, en dit belang moet bestaan tot aan de uitspraak van het arrest; dat in de veronderstelling dat de aanbestedende overheid, nadat ze eerst besloten heeft om, naar aanleiding van een beperkte procedure, een onderneming die zich als gegadigde heeft aangemeld niet uit te kiezen, vervolgens besluit om de opdracht toe te wijzen, de vraag rijst of de onderneming die de eerste, doch niet de tweede beslissing bij de Raad van State heeft bestreden, nog steeds het vereiste belang heeft om de nietigverklaring te vorderen van de eerste beslissing;

Overwegende dienaangaande dat het belang van een verzoeker om bij de Raad van State een beslissing inzake de toewijzing van een overheidsopdracht te bestrijden, er idealiter in bestaat opnieuw op zijn minst kans te maken om die opdracht toegewezen te krijgen en die zelf uit te voeren;

Overwegende, in die gedachtegang, dat het belang om een beslissing aan te vechten waarbij een kandidatuur niet in aanmerking wordt genomen, verdwijnt als de gegadigde die niet is uitgekozen, de beslissing waarbij de opdracht aan een concurrent wordt toegewezen niet betwist;

Overwegende dat te dezen de verzoekende partij geen annulatieberoep heeft ingesteld tegen de beslissing van 29 april 2002 waarbij perceel nr. 3 "Elektriciteit" wordt toegewezen; dat zij zodoende elke kans om de opdracht te krijgen en bijgevolg haar belang bij het onderhavige beroep, heeft verloren.

R.v.St., nr. 145.163, 30 mei 2005, SA CNIM – Oprichting van een gemengde vennootschap voor het bouwen en de exploitatie van een nieuwe fabriek voor de energetische valorisatie van afvalstoffen – Vermomde overheidsopdracht
van werken- Onregelmatig beroep op onderhandelingsprocedure – Moeilijk te herstellen ernstig nadeel -
Referentieopdracht (T. Aann. 2006/1, 32-45 met noot M.-A. Flamme)

Considérant, sur le premier objet de la demande, que la requérante invoque un moyen, le second de sa demande, pris "de la violation et de la méconnaissance de la base légale, à savoir la loi du 24 décembre 1993 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services"; qu’elle soutient que "le montage prévu par INTRADEL constitue un marché public de travaux déguisé", et que, "la loi du 24 décembre 1993 étant applicable, INTRADEL a illégalement choisi de procéder par voie négociée, n’a pas fixé des critères de sélection qualitative adéquats et pertinents, n’a pas respecté l’obligation de scinder les phases de sélection qualitative et de négociation des offres, n’a pas fixé préalablement de critères d’attribution, et n’a pas respecté les règles de procédures prévues par la loi";

Considérant que, en réponse, la partie adverse soutient, en substance, que la création d’une société d’économie mixte ne ressortit pas au champ d’application du droit des marchés publics, mais que le choix des partenaires privés doit se conformer aux principes généraux de bonne administration, d’égalité et de non-discrimination, et s’opérer en fonction de critères objectifs dans le souci d’assurer, de la manière la plus adéquate, la réalisation de l’intérêt général poursuivi, notamment après une procédure de mise en concurrence au cours de laquelle les candidats potentiels auront été consultés sur la base de règles prédéfinies et claires, et dans des conditions de consultation raisonnables; qu’elle soutient, se référant à divers auteurs de doctrine, qu’une fois ce choix du partenaire privé opéré dans ces conditions conformes aux principes du traité de l’Union européenne (publicité et mise en concurrence), l’attribution même du marché ne devrait plus faire l’objet d’une nouvelle mise en concurrence, mais reviendrait nécessairement au partenaire privé; qu’elle souligne que l’un des auteurs auxquels elle se réfère, a noté que, dans l’avis motivé adressé le 16 octobre 2002 au Gouvernement belge concernant la gestion des services publics locaux, la Commission européenne a considéré comme exclues du champ d’application des directives mais soumises aux règles du Traité (et notamment au principe de non-discrimination en raison de la nationalité) une liste de six catégories d’actes parmi lesquels "la création ou prise de participation dans une société de nature mixte lorsque cet acte implique l’attribution, selon les conditions établies dans un acte statutaire, ou encore par convention entre actionnaires, d’une mission relevant de l’intérêt communal à la société ainsi créée, voire à l’actionnaire privé de cette société";

Considérant que l’article 5 de la loi du 24 décembre 1993 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fourniture et de services définit le marché public de travaux comme "le contrat à titre onéreux conclu entre un entrepreneur et un pouvoir adjudicateur et ayant pour objet", notamment, "de faire réaliser par quelque moyen que ce soit un ouvrage répondant aux besoins précisés par le pouvoir adjudicateur", l’ouvrage étant "le résultat d’un ensemble de travaux de bâtiment ou de génie civil destiné à remplir par lui-même une fonction économique ou technique";

Considérant, prima facie, que la délibération attaquée est la décision préalable décidant de conclure un tel contrat de marché public de travaux avec la société INOVA France; que l’ouvrage est la nouvelle usine de valorisation énergétique des déchets; que le moyen réside dans la création d’une société d’économie mixte avec la société INOVA France; qu’il s’agit incontestablement d’un contrat à titre onéreux;

Considérant que, dès lors, l’article 1, § 1, de la loi du 24 décembre 1993 précitée est applicable au marché qui fait l’objet de la délibération attaquée, de même que, partant, l’ensemble des dispositions de cette loi;

Considérant qu’il est constant que la partie adverse a recouru à la procédure négociée sans même alléguer s’être trouvée dans un des cas prévus par l’article 17 de ladite loi du 24 décembre 1993; que le fait de se prévaloir des "rigidités" de ladite loi et des "contraintes" des articles 114 et suivants de l’arrêté royal du 8 janvier 1996 n’autorise évidemment pas à éluder l’application des règles gouvernant les marchés publics; que l’application de la loi est étrangère au souci manifesté par certains, précisément, d’éluder l’application de la législation sur les marchés publics; que, seul, le respect de la loi est de nature à ménager un tant soit peu les règles de la concurrence et que, au regard de l’article 11 de la loi du 24 décembre 1993, la convention envisagée par la délibération attaquée pourrait être considérée comme de nature à fausser les conditions normales de la concurrence; que le moyen est sérieux;

 [volgt schorsing]

R.v.St., nr. 143.609, 25 april 2005, NV Cegelec e.a. – Overheidsopdrachten – Uiterst dringende noodzakeljkheid – Belang
– Moeilijk te herstellen ernstig nadeel – beroepsrichtlijn heeft geen directe werking (TBP 2006/5, 303)

“Considérant que la partie adverse fait observer que le marché litigieux n’est pas soumis à l’article 21bis de la loi du 24 décembre 1993, en sorte que toutes les considérations qui en sont déduites, sont irrelevantes; qu’elle ajoute que ces considérations sont erronées, dès lors que ni la directive "recours" ni l’article 21bis n’ont eu pour effet de modifier les règles de compétence et de procédure auprès du Conseil d’Etat; que, pour le surplus, elle estime qu’il appartient aux requérantes d’établir le risque de préjudice grave difficilement réparable que leur causerait l’exécution immédiate de l’acte attaqué; qu’elle soutient qu’à défaut d’éléments de faits précis, les requérantes n’apportent pas la preuve de leur préjudice, lequel ne repose que sur de simples allégations imprécises et non démontrées; que, quant à la perte financière, elle estime qu’il n’est pas démontré qu’elle causerait un préjudice difficilement réparable, et notamment un risque de faillite qui soit directement imputable à l’acte attaqué plutôt qu’à la fin du marché précédemment exécuté; que, quant à la perte d’une référence notoire récente, elle observe que cet argument reviendrait à réserver les marchés aux seules entreprises déjà en place; que, quant à l’atteinte à l’image de marque, elle souligne que l’acte attaqué ne comporte aucune appréciation péjorative des requérantes qui ont, du reste, été sélectionnées;

Considérant, tout d’abord, que l’article 21bis, inséré dans la loi du 24 décembre 1993 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services par l’article 302 de la loi-programme du 9 juillet 2004, n’est pas applicable au marché litigieux; qu’en effet, le présent marché a été annoncé en janvier 2004, soit bien avant la date d’entrée en vigueur dudit article 21bis, soit le 15 juillet 2004 comme prévu par l’article 317 de ladite loi-programme; que, partant, aucun argument ne peut être déduit de l’existence de cet article 21bis;

Considérant, en outre, que même si cet article 21bis avait été applicable en l’espèce, il n’aurait pas eu pour effet, comme le soutiennent les requérantes, de faire présumer l’existence d’un risque de préjudice grave difficilement réparable;

Considérant, certes, que les directives européennes 89/665 et 92/13 requièrent "qu’il existe des moyens de recours efficaces et rapides en cas de violation du droit communautaire en matière de marché public ou des règles nationales transposant ce droit";

Considérant, toutefois, que ces directives ne sont pas directement applicables en droit interne, et que le soin a été laissé aux Etats membres de les transposer dans leur législation nationale (Cf. notamment l’article 5 de la directive 89/665), ce qu’a tenté de faire la loi-programme du 9 juillet 2004 précitée en insérant ledit article 21bis dans la loi du 24 décembre 1993;

Considérant que cette loi-programme du 9 juillet 2004 n’a pas modifié les lois sur le Conseil d’Etat coordonnées le 12 janvier 1973, et en particulier leur article 17, § 2, qui persiste à exiger, pour que la suspension de l’exécution notamment d’une décision d’attribution d’un marché public puisse être ordonnée, que soit établi le risque d’un préjudice grave difficilement réparable qu’entraînerait l’exécution immédiate de la décision attaquée;

Considérant que, si l’on peut s’interroger sur l’adéquation, à certains égards, de la transposition en droit belge des directives européennes précitées, il n’appartient pas à une juridiction, sous prétexte d’interprétation, de modifier en réalité la loi en lui prêtant une portée radicalement différente de celle qu’une jurisprudence évidente lui avait reconnue depuis des années;

Considérant qu’il demeure, jusqu’ores, que l’article 17 des lois sur le Conseil d’Etat précitées exige de celui qui demande la suspension de l’exécution d’un acte administratif, fût-ce une décision d’attribution d’un marché public, qu’il établisse que l’exécution immédiate de cet acte risque de lui causer un préjudice grave difficilement réparable;

Considérant, à cet égard, que force est de constater que les requérantes procèdent par allégations dénuées de toute pièce susceptible de les étayer; qu’elles ne produisent ni statuts ni pièces comptables qui auraient pu révéler quelle part des marchés du type de celui ici convoité pouvaient prendre de l’ensemble de leurs activités; qu’elles n’établissent pas davantage dans quelle mesure la perte du marché litigieux compromettrait leur équilibre financier et, éventuellement, leur survie;

Considérant, par ailleurs, que la perte d’une référence telle que celles exigées en vue de la sélection qualitative, ne peut être confondue avec celle d’un marché de référence, dont la rareté, l’ampleur, la complexité de conception ou d’exécution, la mise en oeuvre de techniques particulières ou nouvelles sont susceptibles de conférer à son attributaire une réputation toute particulière; que tel n’est évidemment pas le cas en l’espèce, et que la perte d’une référence banale ne saurait justifier un risque de préjudice grave difficilement réparable; que la décision attaquée ne comporte aucun jugement péjoratif quant à l’offre formulée par les requérantes, en sorte que celles-ci ne peuvent sérieusement prétendre qu’elle porte atteinte à leur réputation; que, pour le surplus, la perte d’un personnel qualifié et d’un matériel spécifique, à la supposer avérée, résulte plutôt de la non-reconduction du contrat venant à échéance et ne saurait être ici prise en compte, à peine de privilégier le soumissionnaire déjà en place;

Considérant que l'une des conditions prévues par l'article 17, § 2, alinéa 1er, des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat pour que soit accueillie une demande de suspension, n'est pas remplie”.

R.v.St., nr. 142.998, 12 april 2005, NV Watco – Overheidsopdrachten – Verlenging van de duur van een contract – Raad
van State bevoegd (TBP 2006/5, 301)

Vu la requête introduite le 11 janvier 1999 par la société anonyme WATCO qui demande l'annulation de la décision du conseil communal de la ville de Liège du 9 novembre 1998 "(décidant) de modifier les clauses et conditions du marché conclu avec la société PAGE M et relatif à la collecte des déchets ménagers et des déchets encombrants sur (son) territoire (...) par l'adoption d'un avenant no 4 et, notamment, de proroger la durée de ce marché jusqu'à la date du 30 juin 2005";

[…]

Considérant que la partie adverse soulève une exception d’irrecevabilité du recours; qu’elle fait valoir que l'acte attaqué est une application des articles 8 et 54 de l'arrêté royal du 22 avril 1977 relatif aux marchés publics de travaux, de fournitures et de services combinés avec l'article 16, § 1er, du cahier général des charges et qu’il se rapporte à l'exécution du contrat pour lequel seuls les cours et tribunaux sont compétents; qu’elle soutient que la théorie des actes détachables ne concerne que les actes administratifs qui ont précédé le contrat et qu’une fois celui-ci conclu, les actes relatifs à son exécution ne sauraient plus être analysés indépendamment dudit contrat; qu’à son estime, la modification du contrat résulterait d'une convergence entre la volonté de l'administration et celle d'un particulier; qu’elle s’en réfère à la jurisprudence du Conseil d'Etat qui s'est déclaré incompétent pour connaître de recours dirigés contre une décision de modifier, après l'attribution du contrat, le travail à réaliser, même sur proposition de l'adjudicataire et pour un montant important; qu’elle prétend enfin que la circonstance que la requérante soit un tiers ne fait que renforcer l'irrecevabilité du recours en raison de l'article 1165 du Code civil;

Considérant que l'acte attaqué est un acte unilatéral du conseil communal certes impuissant à modifier à lui seul l'ordonnancement juridique, lequel ne le serait que si le contractant accepte ce qui n'est qu'une offre, même précédée de négociations entre les services de la ville et ledit cocontractant auquel il est loisible de refuser et de s'adresser au juge du contrat pour obtenir des dommages et intérêts; que l'acte attaqué est un acte administratif unilatéral détachable tant du contrat initial que de l'éventuelle convention résultant de l'acceptation de l'offre par le contractant; que le Conseil d'Etat a le pouvoir d'annuler les actes des autorités administratives lorsque ceux-ci peuvent faire l'objet d'un recours objectif, par opposition au recours dont l'objet véritable et direct est de faire consacrer l'existence d'un droit subjectif, civil ou politique, ou de faire assurer le respect d'un tel droit ; que le recours en annulation de la requérante, tiers tant au contrat initial qu'à l'éventuelle convention future, ne porte pas sur la méconnaissance d'un droit subjectif mais vise au respect de la légalité, en raison du grief que, selon elle, lui cause l'acte attaqué dans la mesure où il la prive de la possibilité de poser sa candidature pour la collecte des déchets sur le territoire de la partie adverse durant la nouvelle période qui fait l'objet de l'acte attaqué; que le déclinatoire de juridiction ne peut être accueilli”.

 

R.v.St., nr. 141.201, 24 februari 2005, NV GEAC – Onderhandelingsprocedure – Bijkomende mogelijkheid tot overleg en
reactie voor één inschrijver – Schending gelijkheidsbeginsel (NjW 2006, 464-465

2.2.4. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 1, van de voormelde wet van 24 december 1993 de overheidsopdracht “bij onderhandelingsprocedure” geschiedt wanneer de aanbestedende overheid meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners van haar keuze raadpleegt en over de voorwaarden van de opdracht onderhandelt met één of meer van hen; dat artikel 68, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, stelt dat “Bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvraag van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, het aantal gegadigden dat tot de onderhandelingen wordt toegelaten niet kleiner [mag] zijn dan drie, voor zover er voldoende geschikte gegadigden zijn”; dat echter bij het voeren van een dergelijke procedure de betrokken overheden in elk geval het gelijkheidsbeginsel moeten naleven;

Overwegende dat te dezen het bestek uitgaat van een dubbele onderhandelingsfase: op grond van “uitsluitingscriteria en kwalitatieve selectiecriteria” worden de kandidaten geselecteerd waarvan de ingediende offerte in een eerste onderhandelingsronde getoetst wordt aan de in het bestek vermelde gunningscriteria en worden de inschrijvingen gerangschikt volgens de behaalde score; in dit stadium wordt ontbrekende informatie niet door het bestuur opgevraagd; in een tweede onderhandelingsronde worden, tenzij de resultaten van de beoordeling in de eerste ronde een kleiner of groter aantal wettigen, de vier best geklasseerde inschrijvers uit de eerste ronde toegelaten; in deze tweede onderhandelingsfase dienen zij een demonstratie te geven van de voorgestelde oplossing; tijdens de hiervoor toegemeten tijd krijgt de inschrijver de gelegenheid zijn aanbieding te demonstreren, te bewijzen dat zijn aanbieding zich maximaal integreert binnen de omgeving van het bestuur - indien de omgeving opgebouwd zal worden binnen die van het bestuur-, te bewijzen dat zijn aanbieding zich maximaal integreert met Vlacc II en vragen te beantwoorden van het opdrachtgevend bestuur; deze inschrijvers krijgen ook de gelegenheid een “bijgestelde offerte” uit te brengen op grond van de voorstellen die de opdrachtgever tijdens de onderhandelingssessies met de inschrijver aanbrengt; de inschrijver maakt een verslag van de demonstratie en bezorgt dit, samen met zijn bijgestelde offerte, binnen zeven werkdagen aan het bestuur; deze bijgestelde offerte geldt na ontvangst als enige basis van de onderhandeling en wordt opnieuw beoordeeld; na eventuele bijkomende onderhandelingsrondes wordt de opdracht toegewezen aan de inschrijver met de regelmatige offerte met de beste rangschikking op grond van de gunningscriteria (bestek, deel 2, punt 2.4, blz. 6-8);

Overwegende dat er drie inschrijvingen werden ingediend die alle drie werden geselecteerd, die alle drie het voorwerp uitmaakten van een demonstratie -die van de verzoekende partij en Cipal zelfs tweemaal- en die alle drie een aangepaste offerte indienden, die werd beoordeeld op grond van de gunningscriteria; dat wel enkel aan Cipal, nadat de aangepaste offerte was ingediend, nog een lijst met opmerkingen van de lokale testgebruikers werd bezorgd met mogelijkheid hierop te reageren, wat zij deed, en waarna een nieuwe werkbijeenkomst met de testgebruikers werd georganiseerd; dat de andere inschrijvers deze mogelijkheid niet kregen; dat aldus, alhoewel blijkens het bestek in de tweede onderhandelingsronde het vragen van aanvullende informatie niet is uitgesloten en eventueel bijkomende demonstraties georganiseerd kunnen worden, dient zeker wanneer zoals te dezen daarbij de offertes van de geselecteerde inschrijvers nogmaals lijken te zijn getoetst aan de gunningscriteria, daarbij het gelijkheidsbeginsel geëerbiedigd dient te worden; dat te dezen één inschrijver, die slecht scoorde op het criterium functionaliteit, nog de kans kreeg, na een demonstratie, het verslag daarvan en de aangepaste offerte, schriftelijk te reageren op een aantal opmerkingen en zulks met een nieuwe werkbijeenkomst; dat, zelfs met de verwerende partij aannemend dat dit voor de verzoekende partij niet nodig zou zijn geweest omdat ter zake geen vragen waren of meer bestonden na die demonstratie, zodat het niet gaat om gelijkaardige toestanden en los van de vaststelling dat ter zake van functionaliteit vanuit bibliotheekpersoneel uiteindelijk door de verzoekende partij 19,68 op 25 werd gescoord en dus beter dan Cipal zodat aangenomen lijkt te moeten worden dat er ter zake toch onvolkomenheden waren en de vraag rijst of een verdere toelichting ter zake geen hogere score zou kunnen opleveren, lijkt te moeten worden vastgesteld dat zij op andere punten slechter scoort dan Cipal, onder meer door twijfel over de positieve houding ten opzichte van Vlacc 2, de “housing”, het al dan niet realistisch karakter van de prijs en ook enkele technische aangelegenheden; dat zij van haar kant daarover niet opnieuw werd geraadpleegd; dat aldus het onderdeel van het tweede middel ontleend aan de schending van het gelijkheidsbeginsel ernstig is; dat in tegenstelling tot hetgeen de tussenkomende partij betoogt, uit het dossier niet lijkt te kunnen worden afgeleid dat Cipal reeds vóór de bijkomende vragenstelling een definitieve quotering had verkregen; dat aldus aan de in het voormelde artikel 17 vastgestelde voorwaarden is voldaan”.

[volgt schorsing]

Terug naar inhoud

Rechtsleer (monografieën, artikelen, rechtsgeleerde noten)
  • De Koninck, C. , «De audit door het Rekenhof van schadedossiers ten laste van het Vlaams Infrastructuurfonds», T.Aann., 2006/2, 103-112.
  • DE STAERCKE, J., « Sport & overheidsopdrachten: een inleiding », Sport & Recht, deel 1: 2004, 948-951, deel 2: 2005, 1006-1008, deel 3: 2005, 1022-1024, deel 4: 2006, 1160-1161.
  • DEENE, J., « Belastingen moeten betaald zijn voor deelname aan aanbestedingsprocedure », Juristenkrant 2006, afl. 127, 7, bespreking van H.v.J. 9 februari 2006 ( La Cascina en Zilch).
  • DREYFUS, J., “Causes d’exclusion de la participation des candidats à un marché public: quelle liberté pour les Etats membres en droit communautaire?”, AJDA (Fr.) 2006, 704-706, noot onder H.v.J. 9 februari 2006 ( La Cascina en Zilch).
  • Elsen, M.-A, «Point de vue d’un juriste d’entreprise suite à l’article de M. C. De Koninck », T.Aann., 2006/2, 113-124.
  • Essers, M.J .J.M., Aanbestedingsrecht voor overheden , Naar een verantwoord aanbestedingsbeleid onder het nieuwe aanbestedings­recht , Loyens & Loeff series, Elsevier 2005, Den Haag
  • Gelders M. , Timmermans, W., « De standstill-verplichtingen getoetst aan het gelijkheidsbeginsel, RABG 2006, 405-408, noot onder Arbitragehof, nr. 2005/179, 7 december 205, A.A. 2005, 2295; B.S. 19 december 2005 (uittreksel), 54280 en RABG 2006, 401.
  • Gelders, M., Schellekens, L., “Dekt de aanvullende borgtocht bij overheidsopdrachten de nakoming van alle verbintenissen van de aannemer?”, noot bij Cass. 3 oktober 2002, CVBA A.B. t/ Vlaams Gewest e.a., R.W. 2005-2006, 1502-1504.
  • JANSSEN, J., « Aanbesteding in het licht van het communautaire recht », S.E.W. 2006, 171-194, noot onder H.v.J. 13 oktober 2005 (Parking Brixen).
  • Stevens, J., noot bij R.v.St ., nr. 143.609, NV Cegelec e.a., TBP, 2006/5, 303.
  • Van Dorpe, B., «Overheidsopdrachten in de Raad van State: de dingen zijn niet wat ze schijnen», R.W. 2005-2006, 1398-1399.

Diverse publicaties
  • Communication interprétative de la Commission relative au droit communautaire applicable aux passations de marchés non soumises ou partiellement soumises aux directives “marchés publics” , Europese Commissie, Brussel 23 juni 2006.
  • Frequently Asked Questions (FAQs) on interpretative communication on contract awards not or not fully subject to the public procurement Directives , Europese Commissie, 24 juli 2006.
  • Fiche explicative – Accords cadres – Directive classique, Europese Commissie
  • Fiche explicative – Dialogue compétitif – Directive classique, Europese Commissie
  • Fiche explicative – Directive secteurs. Définition des droits exclusifs ou spéciaux , Europese Commissie
  • Fiche explicative – Directive secteurs. Marchés concernant plusieurs activités , Europese Commissie
  • Public Procurement Update. Winter 2005 , Osborne Clarke.

Terug naar inhoud

***

Belangrijke juridische kennisgeving - Disclaimer

Hoewel bij de realisatie van deze nieuwsbrief een zo groot mogelijke nauwkeurigheid en correctheid werd nagestreefd, kan voor de aanwezigheid van eventuele (druk)fouten, onvolkomen- en onvolledigheden niet worden ingestaan en aanvaardt EBP hiervoor geen aansprakelijkheid.De gebruiker van deze nieuwsbrief erkent en aanvaardt, door de loutere aanwending van de inhoud ervan, voormelde afwijzing van aansprakelijkheid.